De structuur van beheerder, fonds, B.V., N.V. en C.V.
Een beleggingsinstelling is een beleggingsfonds of een beleggingsmaatschappij; het beheer ligt bij de beheerder. Voor de Wwft is de beleggingsinstelling zelf de instelling (art. 1a lid 3 onder d), maar bij een fonds en bij een maatschappij met aparte beheerder draagt de beheerder zorg voor de naleving (art. 1a lid 6). Zeven voorbeelden laten zien waar in elke structuur de juridische eigendom, de bewaring, het toezicht en de UBO zitten, wat er verandert als een buitenlandse partij of een nominee in de keten staat, en wat er op 10 juli 2027 verschuift, wanneer de Europese antiwitwasverordening van toepassing wordt. Het tabblad gaat over beleggingsinstellingen in de zin van de AIFM-richtlijn; de icbe en haar beheermaatschappij, die de AMLR in hetzelfde artikel noemt, blijven buiten deze flowchart.
Het fonds voor gemene rekening
Een beleggingsfonds heeft geen rechtspersoonlijkheid. Om het fonds heen staan daarom drie partijen die elk een eigen taak hebben: de beheerder, de juridisch eigenaar en de bewaarder.
Het fonds zelf is de beleggingsinstelling: een vermogen, niet ondergebracht in een maatschappij, waarin gelden ter collectieve belegging worden opgenomen om de deelnemers in de opbrengst te laten delen. Daarmee is het fonds de Wwft-instelling.
Bij een beleggingsfonds draagt de beheerder zorg voor de naleving van de Wwft door de instelling. De AFM houdt op die beheerder Wwft-toezicht.
De juridische eigendom ligt bij een entiteit met als enig statutair doel het houden daarvan. Het fondsvermogen is afgescheiden: het dient alleen voor schulden uit beheer, bewaring en eigendom en voor de rechten van deelneming. Een onafhankelijke bewaarder bewaart de activa.
Voor een fonds voor gemene rekening gelden de categorieën van de trust: oprichter, trustee, protector, begunstigden en wie anders uiteindelijk zeggenschap heeft. Wordt het fonds aangeboden aan honderdvijftig personen of meer en beheerd door een vergunninghoudende beheerder, dan geldt als begunstigde de groep van natuurlijke personen in wier belang het fonds hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is, in de praktijk de deelnemers.
Een beleggingsinstelling kan uit subfondsen bestaan, elk met eigen beleggingsbeleid en eigen voorwaarden in het prospectus (art. 4:37l lid 3 Wft); de vermogensscheiding werkt per subfonds (art. 1:13 lid 4 jo. art. 4:37j lid 5 Wft) en een aparte juridisch eigenaar per subfonds is niet vereist (art. 4:37j lid 4). Voor de Wwft is het subfonds naar de lezing van TRNKL geen afzonderlijke instelling: de paraplu is de beleggingsinstelling van art. 1a lid 3 onder d, en het cliëntenonderzoek naar een deelnemer wordt één keer gedaan, op het niveau van de instelling. Het subfonds telt wél als product in de risicobeoordeling (art. 2b lid 2), zodat een deelnemer in een subfonds met hoger risico een hogere classificatie kan krijgen. Naar de mening van TRNKL hoort de UBO-toets van art. 61 AMLR op het niveau van de instelling te worden gedaan, met een aantekening per subfonds zodra een deelnemer daarin 25 procent of meer houdt, omdat de invloed op het beleggingsbeleid per subfonds ligt; de verordening zegt daar niets over.
Een fonds voor gemene rekening is een soortgelijke juridische constructie in de zin van de Implementatiewet (een bij overeenkomst tot stand gebracht fonds zonder rechtspersoonlijkheid waarin deelnemers vermogen voor gezamenlijke rekening bijeenbrengen) en registreert zijn uiteindelijk belanghebbenden in het register voor trusts en soortgelijke juridische constructies bij de Kamer van Koophandel, zodra de beheerder in Nederland is gevestigd; een beleggingsmaatschappij en een C.V. registreren in het UBO-register van het handelsregister. Dat is een plicht van het fonds zelf, naast het cliëntenonderzoek door de beheerder. Treft de beheerder als poortwachter bij een cliënt een verschil aan tussen het register en zijn eigen vaststelling, dan meldt hij dat terug (art. 10c Wwft).
Het fonds is de instelling; de beheerder draagt zorg voor de naleving door het fonds.
Instellingen voor collectieve belegging én hun beheerders zijn financiële instellingen en daarmee meldingsplichtige entiteiten. Omdat fonds en beheerder allebei onder de verordening vallen, mogen de maatregelen op fondsniveau en op beheerderniveau niet identiek zijn: zij weerspiegelen de taakverdeling tussen fonds en beheerder (overweging 23). Een toerekeningsregel zoals art. 1a lid 6 Wwft staat niet in de verordening; hoe de Implementatiewet dat inricht, is nog open.
Trustcategorieën, en bij honderdvijftig deelnemers of meer onder een vergunninghoudende beheerder de groep in wier belang het fonds hoofdzakelijk werkt.
Eén regel voor elke instelling voor collectieve belegging, ongeacht de rechtsvorm: UBO is wie direct of indirect 25 procent of meer van de rechten van deelneming heeft, wie het beleggingsbeleid kan bepalen of beïnvloeden, of wie op andere wijze zeggenschap heeft. Een groepsregel voor fondsen staat daar niet in. Via het beleggingsbeleid komen de personen achter de beheerder in beeld.
Cliëntenonderzoek kan worden uitbesteed aan een derde, behalve de voortdurende controle; de instelling blijft verantwoordelijk.
Het besluit over de zakelijke relatie, het risicoprofiel en de melding mogen niet worden uitbesteed (de melding alleen aan een groepsentiteit in dezelfde lidstaat, art. 18 lid 3 onder e). Een fonds zonder rechtspersoonlijkheid, of met alleen een raad van bestuur, dat de verwerking van inschrijvingen en de inzameling van gelden bij een ander heeft belegd, mag die drie taken wel uitbesteden aan een van zijn dienstverleners, na kennisgeving aan en goedkeuring door de toezichthouder.
De beleggingsmaatschappij B.V. of N.V.
Een beleggingsmaatschappij is zelf een rechtspersoon en houdt de beleggingen op eigen naam. De vraag is dan of er een aparte beheerder boven staat. Dat bepaalt wie de vergunning heeft en wie de naleving draagt.
De maatschappij is de beleggingsinstelling en de Wwft-instelling. De beheerder heeft de vergunning en draagt zorg voor de naleving door de maatschappij.
Heeft de maatschappij geen aparte beheerder, dan heeft zij zelf een vergunning nodig. De toerekening aan een beheerder werkt dan niet: de zelfbeherende maatschappij is zelf de nalevingsplichtige.
Een beleggingsmaatschappij heeft een aparte beheerder, tenzij zij een eigen vermogen heeft van ten minste € 300.000. Deze eis staat in Deel 4 Wft en geldt dus onder de vergunning. Onder de drempels van art. 2:66a kan een beleggingsmaatschappij zonder aparte beheerder ook volstaan met een melding bij de AFM: de regels voor beheerders zijn dan op haar van overeenkomstige toepassing (art. 1:13 lid 2 Wft), en voor de Wwft instelling en nalevingsplichtige in één, net als de zelfbeherende vergunninghouder rechts in het schema.
Anders dan bij een fonds is geen aparte juridisch eigenaar nodig: de maatschappij houdt de beleggingen zelf. De eis van een juridisch eigenaar ziet alleen op de activa van een beleggingsfonds.
De maatschappij is de instelling; de beheerder draagt de naleving.
Instellingen voor collectieve belegging én hun beheerders zijn financiële instellingen en daarmee meldingsplichtige entiteiten. Omdat fonds en beheerder allebei onder de verordening vallen, mogen de maatregelen op fondsniveau en op beheerderniveau niet identiek zijn: zij weerspiegelen de taakverdeling tussen fonds en beheerder (overweging 23). Een toerekeningsregel zoals art. 1a lid 6 Wwft staat niet in de verordening; hoe de Implementatiewet dat inricht, is nog open.
De maatschappij is instelling en nalevingsplichtige in één.
Er blijft één meldingsplichtige entiteit in de structuur. Bij icbe's noemt de verordening de beleggingsmaatschappij zonder aangewezen beheermaatschappij uitdrukkelijk.
Als B.V. of N.V.: wie meer dan 25 procent van de aandelen, stemrechten of het eigendomsbelang houdt, of via andere middelen zeggenschap heeft.
De regel voor instellingen voor collectieve belegging gaat voor op de gewone vennootschapsregel: 25 procent of meer van de rechten van deelneming, het beleggingsbeleid kunnen bepalen of beïnvloeden, of op andere wijze zeggenschap over de activiteiten van de instelling. Wie de beheerder aanstuurt, kan daarmee UBO van de maatschappij worden.
Meer dan 25 procent van de aandelen, stemrechten of het eigendomsbelang.
25 procent of meer, en ook rechten op winst, interne middelen of liquidatiebalans tellen mee. Indirect belang wordt per keten vermenigvuldigd en opgeteld; zeggenschap via eigendom begint bij 50 procent plus één.
De C.V. als beleggingsfonds
Private-equity- en vastgoedfondsen zijn vaak een commanditaire vennootschap. De C.V. heeft geen rechtspersoonlijkheid en valt daarmee in de lijn van het fonds voor gemene rekening, met één laag extra: de beherend vennoot, die voor de C.V. optreedt en onbeperkt aansprakelijk is.
Een beleggingsmaatschappij is een rechtspersoon; de C.V. is dat niet. Haar vermogen is daarom een beleggingsfonds. Daarmee is de C.V. de Wwft-instelling en draagt de beheerder de naleving, net als bij het fonds voor gemene rekening.
De commanditaire vennoot is vennoot bij wijze van geldschieting. Zijn naam mag, behoudens de uitzondering van art. 30 lid 2 WvK, niet in de firma staan en hij mag geen daden van beheer verrichten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, ook niet krachtens volmacht. Hij draagt niet verder in de schade dan wat hij heeft ingebracht of moest inbrengen. Overtreedt hij het naam- of beheersverbod, dan is hij hoofdelijk verbonden voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap; de Hoge Raad past die sanctie sinds 2015 naar evenredigheid toe en weegt mee of derden van de commanditaire hoedanigheid op de hoogte waren en of de vennoot een verwijt treft (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1413).
De beherend vennoot is niet vanzelf de beheerder: beheerder is wie het beheer voert over de beleggingsinstelling. In de praktijk is de beherend vennoot vaak een groepsmaatschappij van de beheerder. Bij een vergunninghouder houdt een entiteit met als enig doel de juridische eigendom van de activa.
Als personenvennootschap: wie meer dan 25 procent van het eigendomsbelang heeft, meer dan 25 procent van de stemmen over wijziging van de vennootschapsovereenkomst of over de uitvoering ervan anders dan door daden van beheer (voor zover die overeenkomst besluitvorming bij meerderheid van stemmen voorschrijft), of feitelijke zeggenschap. Valt het terug op hoger leidinggevend personeel, dan is dat elke vennoot behalve de commanditaire. De C.V. registreert haar uiteindelijk belanghebbenden in het UBO-register van het handelsregister (art. 15a Handelsregisterwet 2007).
De C.V. is de instelling; de beheerder draagt zorg voor de naleving door de C.V.
Instellingen voor collectieve belegging én hun beheerders zijn financiële instellingen en daarmee meldingsplichtige entiteiten. Omdat fonds en beheerder allebei onder de verordening vallen, mogen de maatregelen op fondsniveau en op beheerderniveau niet identiek zijn: zij weerspiegelen de taakverdeling tussen fonds en beheerder (overweging 23). Een toerekeningsregel zoals art. 1a lid 6 Wwft staat niet in de verordening; hoe de Implementatiewet dat inricht, is nog open.
Personenvennootschapsregel: meer dan 25 procent eigendomsbelang of stemmen, of feitelijke zeggenschap.
Als instelling voor collectieve belegging volgt de C.V. de fondsregel: 25 procent of meer van de rechten van deelneming, het beleggingsbeleid kunnen bepalen of beïnvloeden, of andere zeggenschap. De personen achter de beherend vennoot en de beheerder komen daarmee in beeld, ook zonder eigendomsbelang in de C.V.
Cliëntenonderzoek kan worden uitbesteed, behalve de voortdurende controle.
Als fonds zonder rechtspersoonlijkheid mag de C.V. het besluit over de zakelijke relatie, het risicoprofiel en de melding uitbesteden aan een van haar dienstverleners, mits de verwerking van inschrijvingen en de inzameling van gelden bij een ander zijn belegd en de toezichthouder, na kennisgeving vooraf, de uitbesteding heeft goedgekeurd.
Dezelfde structuur, twee regimes
Onder de drempels van art. 2:66a Wft volstaat een melding bij de AFM in plaats van een vergunning. Naast elkaar gezet wordt zichtbaar wat daarmee wegvalt, en wat niet.
Alleen de vergunningplicht, bij twee cumulatieve voorwaarden. Beheerde activa samen niet boven € 100 miljoen, of € 500 miljoen zonder hefboom en zonder inkooprecht in de eerste vijf jaar. En een aanbod aan minder dan honderdvijftig personen, of voor ten minste € 100.000 per deelnemer of per recht; bij uitsluitend professionele beleggers vervalt die tweede voorwaarde.
Deel 4 Wft is niet van toepassing op de light-beheerder, met uitzondering van de eis dat hij een rechtspersoon is. Er is dus geen Wft-plicht tot een juridisch eigenaar, een bewaarder of een prospectus.
Melden bij de AFM met de gegevens van zichzelf, de fondsen en de strategieën, en periodiek rapporteren. Boven de drempel onverwijld melden en binnen 30 dagen een vergunning aanvragen. In elk aanbod aan niet-professionele beleggers vermelden dat hij niet vergunningplichtig is en niet onder prudentieel en gedragstoezicht valt.
De Wwft verwijst naar de beleggingsinstelling van art. 1:1 Wft, zonder onderscheid tussen vergunning en registratie. Het light-regime is een Wft-vrijstelling, geen Wwft-vrijstelling.
Ja: de Wwft kent geen uitzondering voor registratie.
De verordening noemt de abi en de abi-beheerder ‘die binnen het toepassingsgebied van artikel 2’ van de AIFM-richtlijn vallen. Naar de mening van TRNKL blijft de light-beheerder binnen het toepassingsgebied van de richtlijn, zij het dat de richtlijn slechts gedeeltelijk op hem van toepassing is (art. 3 lid 2 AIFM-richtlijn), zodat ook hij meldingsplichtige entiteit wordt. De Wft-status verandert niet: vergunning en registratie blijven zoals ze zijn.
Risicobeoordeling en beleid, een dagelijks beleidsbepaler die verantwoordelijk is voor de naleving en, waar passend, een compliancefunctie; alles evenredig aan aard en omvang.
Bedrijfsbrede risicobeoordeling, interne gedragslijnen, een nalevingsmanager uit het leidinggevend orgaan en een nalevingsfunctionaris. Voor vergunninghouder en light-beheerder dezelfde norm, evenredig aan omvang en aard. Hoe de Nederlandse aansluiting er uitziet, hangt af van de Implementatiewet, die op 19 september 2026 nog niet bij de Tweede Kamer was ingediend; de Raad van State stelde zijn advies vast op 12 augustus 2026.
Cliëntenonderzoek, voortdurende controle en onverwijld melden van ongebruikelijke transacties.
Vaste maatregelen van cliëntenonderzoek inclusief sanctiescreening, actualisering uiterlijk elk jaar bij hoger risico en elke vijf jaar bij de rest, en onverwijld melden van vermoedens aan de FIE.
Holding, beheerder en twee fondsen
In de praktijk staat de beheerder zelden alleen. Uitgewerkt met Noorderlicht Capital B.V., de verzonnen light-beheerder uit de casussen van de flowchart: twee bestuurders met elk een holding, en onder de beheerder een vastgoedfonds en een startend private-equityfonds.
A en B houden elk via hun holding indirect 50 procent van Noorderlicht Capital, meer dan 25 procent, en zijn daarmee allebei uiteindelijk belanghebbende. Die vaststelling is vooral van belang voor wie met de beheerder zaken doet, zoals de bank en de notaris; als poortwachter kijkt de beheerder naar de UBO van zijn cliënten.
De cliënt is de deelnemer, niet de belegging. Belegt een B.V. zoals C Beheer, dan stelt de beheerder ook haar UBO vast. Wie terugvalt op het hoger leidinggevend personeel, legt de genomen maatregelen en de ondervonden moeilijkheden vast.
Noorderlicht Capital draagt de naleving voor beide instellingen. Voor de drempels van het light-regime telt het totaal aan beheerde activa van alle fondsen, ook wat via een verbonden onderneming wordt beheerd.
Dan toetst de AFM ook of de zeggenschapsstructuur doorzichtig is en of de houders van een gekwalificeerde deelneming betrouwbaar zijn: hier A Holding en B Holding, en daarachter A en B.
Meer dan 25 procent: A en B zijn met elk 50 procent UBO.
25 procent of meer, met rechten op winst en liquidatiebalans erbij en het indirecte belang per keten vermenigvuldigd. Voor A en B verandert de uitkomst niet; bij een belang van precies 25 procent wel.
Vastgoedfonds: trustcategorieën. De groepsregel geldt hier niet, want die vraagt een vergunninghoudende beheerder. PE Fonds I B.V.: de vennootschapsregel.
Voor beide fondsen dezelfde fondsregel. Wie het beleggingsbeleid kan bepalen of beïnvloeden is UBO; A en B sturen Noorderlicht Capital aan en worden daarmee waarschijnlijk UBO van beide fondsen, naast deelnemers met 25 procent of meer.
Meer dan 25 procent: vier aandeelhouders met elk 25 procent leveren via eigendom geen UBO op. Zonder zeggenschap langs andere weg volgt dan het hoger leidinggevend personeel.
25 procent of meer: dezelfde vier aandeelhouders zijn alle vier UBO. Loop bestaande cliëntdossiers daarom vóór 10 juli 2027 opnieuw langs de drempel.
Buitenlands fonds of buitenlandse beheerder
Ruim vier vijfde van het vermogen onder light-beheer komt van buiten Nederland, en veel Nederlandse beheerders beheren een fonds naar Luxemburgs of Iers recht, of andersom. Dan gelden twee antiwitwasregimes naast elkaar, en de vraag wie de instelling is en wie de naleving draagt, krijgt per staat een ander antwoord.
De Wwft noemt als instelling de beleggingsinstelling (art. 1a lid 3 onder d) en legt de naleving bij de beheerder (lid 6). Een fonds naar Luxemburgs recht is geen Nederlandse instelling. De Luxemburgse antiwitwaswet van 12 november 2004 wijst als poortwachter aan: de Luxemburgse abi-beheerder (art. 2 lid 1 punt 5) en het gereguleerde fonds dat zijn rechten van deelneming aanbiedt, zoals een icbe, een SIF of een SICAR (punt 4), onder toezicht van de CSSF (art. 2-1). Een niet-gereguleerde SCSp met een Nederlandse beheerder staat niet in die opsomming: naar Luxemburgs recht is er dan geen poortwachter. Het fonds registreert zijn uiteindelijk belanghebbenden wel in het Luxemburgse register. Naar het stelsel van de wet ontbreekt dan de Nederlandse instelling waarvoor de beheerder de naleving draagt; de AFM richt haar uitvraag en haar sectorbrief niettemin tot alle geregistreerde en vergunninghoudende Nederlandse beheerders en verlangt van light-beheerders dat "de door hen beheerde beleggingsinstellingen" over een passend en actueel Wwft-beleid beschikken (sectorbrief AIFM-light, juni 2025, p. 4), zonder onderscheid naar de vestigingsplaats van het fonds; een uitdrukkelijk standpunt over het buitenlandse fonds staat niet in die brief en evenmin in de Wwft/Sw-leidraad van 5 juni 2024. De Sanctiewet 1977 geldt voor de Nederlandse beheerder hoe dan ook. Naar de mening van TRNKL past een beheerder in deze positie de Wwft-normen toe als zijn eigen norm, juist omdat anders niemand voor het cliëntenonderzoek naar de deelnemers verantwoordelijk is, en legt hij vast welke maatregelen op fondsniveau naar Luxemburgs recht worden getroffen en door wie, zodat het onderzoek niet tussen wal en schip valt.
Een beheerder met zetel in een andere lidstaat en een vergunning van zijn eigen toezichthouder mag een Nederlandse beleggingsinstelling beheren zodra hij van zijn eigen toezichthouder de mededeling heeft ontvangen dat die de informatie van art. 32 en 33 van de AIFM-richtlijn aan de AFM heeft verzonden (art. 2:70 lid 1 Wft), en meldt bij een aanbod aan niet-professionele beleggers zijn voornemen ook zelf aan de AFM (lid 2 en 3); een light-beheerder heeft dat paspoort niet (art. 3 lid 4 AIFM-richtlijn). Het Nederlandse fonds is de Wwft-instelling en de AFM houdt daarop toezicht; de toerekening van art. 1a lid 6 richt zich tot een beheerder die zelf onder het recht van zijn eigen staat valt. In de praktijk verricht die beheerder het cliëntenonderzoek voor het fonds, en dan is de vraag onder welke titel: als steunen op een instelling uit een andere lidstaat (art. 5 lid 1 Wwft) of als uitbesteding (art. 10), met de bijbehorende schriftelijke vastlegging en de verantwoordelijkheid die bij het fonds blijft.
Beheert een buitenlandse beheerder vanuit een bijkantoor in Nederland, dan is dat bijkantoor zelf Wwft-instelling (art. 1a lid 3 onder l) en gelden de Nederlandse regels rechtstreeks voor de werkzaamheden vanuit dat bijkantoor.
Het buitenlandse fonds registreert zijn uiteindelijk belanghebbenden in het register van zijn eigen staat; de Nederlandse beheerder in het Nederlandse UBO-register. Een beheerder die het register raadpleegt voor een buitenlandse cliënt, gebruikt het register van de staat van die cliënt; de terugmeldplicht van art. 10c Wwft geldt alleen voor de Nederlandse registers.
De Wwft koppelt de beheerder aan een Nederlandse instelling (art. 1a lid 6); bij een buitenlands fonds is die koppeling naar het stelsel van de wet leeg, terwijl de AFM haar uitvraag en sectorbrief tot alle Nederlandse beheerders richt en van light-beheerders een Wwft-beleid voor de door hen beheerde beleggingsinstellingen verlangt, zonder onderscheid naar de vestigingsplaats van het fonds.
De abi-beheerder is zelf meldingsplichtige entiteit, los van de vraag waar het fonds is gevestigd. Het gat sluit: de Nederlandse beheerder draagt de verplichtingen van de verordening op eigen naam, onder toezicht van de AFM, en het buitenlandse fonds draagt ze in zijn eigen staat.
Het fonds is de instelling; het cliëntenonderzoek door de buitenlandse beheerder loopt via steunen (art. 5 lid 1) of uitbesteding (art. 10), met de verantwoordelijkheid bij het fonds.
Fonds en beheerder zijn allebei meldingsplichtige entiteit onder dezelfde verordening; de maatregelen weerspiegelen de taakverdeling (overweging 23). Steunen op een meldingsplichtige entiteit in een andere lidstaat is uitdrukkelijk geregeld (art. 48 en 49: alleen voor identificatie, UBO en doel en aard, met een schriftelijke overeenkomst en de eindverantwoordelijkheid bij wie steunt), uitbesteding ook (art. 18).
Twee nationale wetten met verschillende drempels, termijnen en meldnormen (in Nederland de ongebruikelijke transactie, elders de verdachte).
Eén rechtstreeks werkende verordening voor fonds en beheerder, met dezelfde UBO-drempel, dezelfde actualiseringstermijnen en dezelfde meldnorm; alleen het toezicht en de FIE blijven nationaal. De verschillen tussen de twee dossiers verdwijnen dus grotendeels; de taakverdeling moet wél op papier staan.
Wie is de cliënt als er een kanaal tussen zit
Steeds vaker schrijft een belegger niet zelf in, maar via een platform, een distributeur of een nominee die de rechten van deelneming op eigen naam houdt voor rekening van de belegger. In het deelnemersregister staat dan het kanaal. Voor de Wwft is de vraag wie de cliënt is, en dat is niet vanzelf degene die in het register staat.
Het cliëntenonderzoek verplicht tot redelijke maatregelen om te verifiëren of de cliënt voor zichzelf optreedt of voor een derde (art. 3 lid 2 onder f Wwft). Houdt het platform de rechten van deelneming voor rekening van de achterliggende beleggers, dan zijn die beleggers naar de lezing van TRNKL de werkelijke cliënten, en niet slechts de uiteindelijk belanghebbenden van het platform. De beheerder identificeert en verifieert hen dus zelf, of steunt daarvoor aantoonbaar op het platform.
Steunen op het onderzoek van het platform kan alleen als het platform zelf een instelling is van art. 1a lid 2 of 3 met zetel in een lidstaat of een aangewezen staat, en als de beheerder zelf over alle identificatie- en verificatiegegevens beschikt (art. 5 lid 1). Is het platform geen instelling, dan blijft uitbesteding over (art. 10), met een schriftelijke opdracht en de verantwoordelijkheid bij het fonds en de beheerder; de voortdurende controle is niet uitbesteedbaar.
Een platform dat beleggingsdiensten verleent, is als beleggingsonderneming zelf Wwft-instelling (art. 1a lid 3 onder c) en doet zijn eigen onderzoek naar zijn cliënten. Dat ontslaat de beheerder niet: twee poortwachters in één keten hebben elk een eigen plicht, en de beheerder mag het onderzoek van de ander overnemen langs de weg van art. 5 (steunen) of art. 10 (uitbesteding).
Naar de mening van TRNKL staat de AVG niet in de weg aan de verstrekking van de gegevens van de achterliggende belegger door het platform aan de beheerder: bij uitbesteding (art. 10 Wwft) verwerkt het platform namens de beheerder en draagt diens wettelijke verplichting de verwerking (art. 6 lid 1 onder c AVG); bij steunen (art. 5 lid 1) verstrekt het platform als eigen verantwoordelijke en heeft het een eigen grondslag nodig, zijn eigen Wwft-plicht (onder c) of het gerechtvaardigd belang (onder f). Art. 34a lid 1 Wwft bindt het gebruik door de beheerder aan het antiwitwasdoel.
Verifiëren of de cliënt voor zichzelf of voor een derde optreedt; de achterliggende belegger identificeren.
Dezelfde opdracht: identificatie en verificatie van de cliënt en zijn uiteindelijk begunstigden, en informatie over de aard van zijn activiteit; wie voor rekening van een ander optreedt, is niet de cliënt voor wie de relatie werkelijk wordt aangegaan.
Alleen op een instelling met zetel in een lidstaat of aangewezen staat, en met de gegevens in eigen hand.
Steunen op een andere meldingsplichtige entiteit, ook in een derde land met gelijkwaardige eisen, maar alleen voor identificatie, UBO en doel en aard van de relatie, niet voor de doorlopende monitoring; de beheerder verkrijgt de onderzoeksgegevens en krijgt de stukken op verzoek binnen vijf werkdagen, vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, en blijft eindverantwoordelijk. Uitbesteding met kennisgeving vooraf aan de toezichthouder.
Trustcategorieën voor het fonds voor gemene rekening; het platform is als begunstigde geen natuurlijke persoon; naar de lezing van TRNKL is de belegger erachter de uiteindelijk belanghebbende, en niet de aandeelhouder van het platform waarnaar art. 3 lid 7 van het besluit verwijst.
Wie direct of indirect 25 procent of meer van de rechten van deelneming houdt, is UBO van het fonds: een belegger die via een platform boven die drempel komt, telt mee, en de beheerder moet door het platform heen kunnen kijken om dat vast te stellen.