Opzegging van de bankrelatie: het cliëntenonderzoek en de grens
Het cliëntenonderzoek en de opzegplicht · de toets van de civiele rechter · factoren pro bank en pro klant · registratie en vangnetten
Door mr. Toine Jorna · eerste publicatie 8 juli 2026 · bijgewerkt 1 september 2026
Zonder betaalrekening staat je bedrijf of je leven stil
Opzegging van de bankrelatie: het cliëntenonderzoek en de grens
Banken zijn poortwachter van het financiële stelsel: zij moeten hun klanten kennen en de relatie beëindigen als dat niet lukt. Tegelijk is een betaalrekening onmisbaar om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Tussen die twee plichten ligt een van de scherpste conflicten in het bankrecht. Deze flowchart legt het stelsel analytisch uit: het wettelijke cliëntenonderzoek en de weg naar de opzegplicht, de toets van de civiele rechter met de factoren die de uitkomst bepalen, en wat er na een opzegging gebeurt, van registratie tot basisbetaalrekening. Gebouwd op 70 geverifieerde uitspraken uit 2020-2026, vanuit beide perspectieven: de klant die zijn rekening wil houden en de bank die moet kiezen.
De toelichtingen in dit schema verwijzen naar de nu geldende Wwft. Vanaf 10 juli 2027 gaat het om andere artikelen uit de Europese AMLR, maar zolang de Algemene Bankvoorwaarden en artikel 6:248 lid 2 BW ongewijzigd blijven, verandert dat niets aan de analyse en de uitkomsten van deze flowchart.
Klik op i of op een node voor meer informatie
ACHTERGRONDINFORMATIE
🏦
Achtergrond: de bank als poortwachter
Waarom banken klanten weigeren en opzeggen · de-risking · het effectiviteitsdebat
GRONDSLAG
⚖️
Drie toetsingskaders als anker
Art. 5 lid 3 Wwft · art. 2 en 35 ABV · art. 6:248 lid 2 BW · ING/De Keijzer en ING/Yin Yang
FASE 1
🔎
Het cliëntenonderzoek
Van eerste signaal tot de opzegbeslissing, in vier stappen
🪪
Stap 1
Het cliëntenonderzoek (art. 3 Wwft)
🚩
Stap 2
Signalen & verscherpt onderzoek (art. 8)
📨
Stap 3
De informatieplicht van de klant (ABV)
✂️
Stap 4
Niet af te ronden: de opzegplicht (art. 5 lid 3)
🛠️
Stap 5
Praktijk & aandachtspunten
FASE 2
🏛️
De rechter en daarna
De civielrechtelijke toets, de factoren en de vangnetten
📐
Stap 1
De maatstaf: drie situaties, twee peilmomenten
❓
Stap 2
De open rechtsvraag: afweging bij plichtopzegging
⚖️
Stap 3
De factoren: wanneer wint de bank, wanneer de klant
🛟
Stap 4
Na de opzegging: registratie & vangnetten
🧰
Stap 5
Praktijk & morgen: AMLR en lopende zaken
Achtergrond: de bank als poortwachter
Het stelsel · poortwachtersrol, de-risking en het effectiviteitsdebat
De kern
De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) maakt banken poortwachter van het financiële stelsel: zij moeten weten wie hun klanten zijn, transacties doorlopend monitoren en ongebruikelijke transacties melden bij FIU-Nederland. Lukt het niet om een klant te kennen, dan mag de bank de relatie niet aangaan en moet zij een bestaande relatie beëindigen (art. 5 lid 1 en 3 Wwft). Daar tegenover staat een even hard gegeven: zonder betaalrekening is deelname aan het maatschappelijk verkeer vrijwel onmogelijk, voor een particulier en zeker voor een onderneming. De Hoge Raad heeft dat belang expliciet erkend en er zelfs een contracteerplicht op gebouwd (ING/Yin Yang, 2021). Elke opzegging wegens Wwft-risico speelt zich af in het spanningsveld tussen die twee plichten.
De schaal is groot. DNB telde in Van herstel naar balans (2022, uitvraag over 2021 bij de vier grootbanken) circa 7.000 geweigerde (potentiële) klanten wegens witwas- of terrorismefinancieringsrisico en 7.700 beëindigde relaties.
Dat de poortwachtersplicht ook bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd, bleek in 2026. DNB legde ABN AMRO een bestuurlijke boete van 8,5 miljoen euro op wegens onvoldoende doorlopend cliëntenonderzoek bij hoogrisicoklanten in de periode september 2023 tot en met september 2024 (besluit 6 juli 2026, openbaar gemaakt 9 juli 2026). DNB verweet de bank te zeer af te gaan op ongeverifieerde klantverklaringen, risicosignalen onvoldoende op te volgen en niet door te pakken wanneer informatie incompleet bleef. Het besluit kwam tot stand via een verkorte afdoening: de bank erkende de aan de overtreding ten grondslag liggende feiten en zag af van bezwaar, waarna DNB het basisbedrag van 10 miljoen euro met 15 procent verlaagde. Een rechterlijk oordeel over de verwijten is er dus niet.
Naar onze mening is dit besluit voor dit leerstuk vooral van belang als verklaring van de druk die achter opzeggingen zit, niet als wijziging van de maatstaf. De civielrechtelijke toets of een opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW), verandert er niet door. Wel maakt het besluit zichtbaar waarom banken bij onvolledige informatie eerder doorpakken: het toezicht bestraft juist het láten liggen van signalen. Voor de klant is het spiegelbeeld even bruikbaar: het verwijt aan de bank is dat zij te weinig verifieerde, niet dat zij te weinig opzegde. DNB vraagt om beter onderzoek, niet om meer beëindigingen.
1. De-risking: het ongewenste neveneffect
Van individuele risicoafweging naar het mijden van hele groepen
De-risking is het mijden of lozen van (categorieën) klanten omdat het cliëntenonderzoek te duur of te riskant wordt gevonden, in plaats van het risico per klant te beheersen. Getroffen groepen in Nederland: coffeeshops, sekswerkers, cryptodienstverleners, trustkantoren, geldtransactiekantoren, stichtingen en andere non-profits, en ondernemers in contant-intensieve branches. Toezichthouders keuren dit af. De Europese Bankautoriteit noemt categoriale de-risking zonder individuele risicobeoordeling een teken van ineffectief risicobeheer (EBA/Op/2022/01) en schreef er richtsnoeren tegen (EBA/GL/2023/04). DNB bepleitte in "Van herstel naar balans" (2022) een gerichtere, risicogebaseerde aanpak, en verving in mei 2024 haar oude Leidraad door de risicogebaseerde Q&As en Good Practices Wwft. De NVB publiceert sinds 2023 met DNB afgestemde sectorstandaarden die per branche afbakenen welk onderzoek proportioneel is, van non-profits tot sekswerkers.
Ook de rechter doet mee: categoriale of verkapt-categoriale uitsluiting van een branche zonder individuele belangenafweging is in de rechtspraak consequent afgestraft, van trustkantoren en coffeeshops tot smartshops en de gokbranche. Kolom 2 werkt die lijn uit.
Het Hof van Justitie trok de grens al in 2016. In HvJ EU 10 maart 2016, C-235/14 (Safe Interenvíos) hadden drie Spaanse banken de rekeningen van betalingsinstelling Safe Interenvíos gesloten wegens vermeende schending van de Spaanse witwaswet. Het Hof aanvaardt dat de bestrijding van witwassen een legitiem doel is dat een beperking van de verdragsvrijheden kan rechtvaardigen, en dat een lidstaat daarbij a priori van een hoger risico mag uitgaan bij geldovermakingen naar het buitenland. Maar een regeling die dat risicovermoeden op elke overmaking legt zonder dat het kan worden weerlegd voor overmakingen die objectief gezien dat risico niet vormen, gaat verder dan nodig is; een regeling die die weerlegging wél toelaat is minder beperkend en haalt hetzelfde beschermingsniveau (punten 110 en 111). Daarnaast: alle onderzoeksmaatregelen moeten "een concreet verband vertonen met het risico van witwassen van geld en financiering van terrorisme en evenredig zijn aan dat risico" (punt 87), en een bank mag zich niet in de plaats stellen van de autoriteit die op de betalingsinstelling toeziet (punt 91). Dat is de Europeesrechtelijke bodem onder de Nederlandse lijn in kolom 2: niet de categorie, maar het individueel vastgestelde risico. Let op de reikwijdte: het arrest legt de dérde antiwitwasrichtlijn uit. Het antwoord over het vereenvoudigd cliëntenonderzoek van art. 11 lid 1 van die richtlijn is achterhaald, want de vierde richtlijn en de AMLR hebben die opzet vervangen door een risicogebaseerde. Het evenredigheidsoordeel overleeft die wissel wel, omdat het op de verdragsvrijheden rust en niet op een vervangen bepaling.
De keten telt mee: ook niet-banken. De-risking stopt niet bij de bank. In RBMNE:2026:881 (6 maart 2026) zegde de betaalinstelling Worldline de pinovereenkomsten met zeven coffeeshops op, niet op een Wwft-grond maar omdat haar buitenlandse acquiring bank een ultimatum had gesteld: stop de geldstromen van Nederlandse coffeeshops, of wij beëindigen de hele relatie met jou. De voorzieningenrechter oordeelde dat Worldline daartoe contractueel wél bevoegd was, maar van die bevoegdheid geen gebruik mocht maken. Twee overwegingen zijn breder van belang. Ten eerste weegt de positie in het betalingsverkeer ook buiten het bankwezen: hoewel Worldline "geen bank is", brengt de aard van haar dienstverlening mee dat ook van haar zorgvuldige omgang met klantbelangen mag worden verlangd, zeker nu meer dan 80% van de betalingen bij een coffeeshop via pin loopt en de overstap naar een andere aanbieder van pindiensten voorshands niet mogelijk bleek, althans niet op korte termijn (r.o. 3.22 en 3.23). Ten tweede: "Categorale uitsluiting is niet toegestaan, ook niet door een betaalinstelling", en zij kan zich niet verschuilen achter het ultimatum van haar acquirer (r.o. 3.24). Let op de afbakening: dit is geen opzegging op grond van art. 5 lid 3 Wwft, maar een de-riskingketen waarin het risicobeleid van een bank hogerop in de keten doorwerkt naar een dienstverlener die zelf geen bank is. De uitspraak zegt dus niets over de Wwft-plichtopzegging; zij laat zien dat de norm "individueel beoordelen in plaats van categoriaal uitsluiten" langs de keten meereist.
2. Het effectiviteitsdebat: veel poortwachter, weinig vangst?
De prijs van het stelsel en wat het oplevert
Het stelsel is duur en de opbrengst omstreden. Internationaal becijferde Ronald Pol (2020) dat antiwitwasbeleid minder dan 0,1% van de criminele geldstromen raakt, tegen compliancekosten die de afgepakte bedragen ruim overtreffen; de titel van zijn artikel stelt het als vraag: "the world's least effective policy experiment?". De Algemene Rekenkamer concludeerde in 2022 dat de Nederlandse meldketen niet garandeert dat de meest risicovolle signalen worden opgepakt. De FATF beoordeelde Nederland in 2022 als goed presterend, maar drong aan op een sterker risicogebaseerd toezicht. Het beleid beweegt sindsdien die kant op: de Beleidsagenda aanpak witwassen (2022) heet "streng waar nodig, met ruimte waar mogelijk", en van de Wet plan van aanpak witwassen overleefde na kritiek van onder meer de Raad van State alleen het verbod op contante betalingen vanaf 3.000 euro (per 1 januari 2026); gegevensdeling bij verscherpt onderzoek en gezamenlijke transactiemonitoring werden geschrapt.
Waarom dit ertoe doet voor de opzegpraktijk: hoe meer het stelsel op categoriale risicomijding leunt, hoe meer bonafide klanten buiten de boot vallen zonder dat de misdaadbestrijding er iets mee opschiet. Dat inzicht stuurt de rechtspraak, de toezichthouders en de nieuwe EU-regels dezelfde kant op: individueel onderzoeken, documenteren en pas dan beslissen.
3. Beide perspectieven
De klant die zijn rekening wil houden, de bank die moet kiezen
Deze flowchart is bewust vanuit beide kanten geschreven. Voor de klant is de kernvraag: loop ik opzegrisico, en wat kan ik doen om het onderzoek wél tot een goed einde te brengen? Voor de bank (en voor compliance-professionals): wat moet er feitelijk vaststaan voordat de conclusie "onderzoek niet af te ronden" houdbaar is, en hoe zorgvuldig moet het proces daarnaartoe zijn? De rechtspraak beantwoordt beide vragen met dezelfde factoren, alleen de leesrichting verschilt. Naar onze mening maakt precies die spiegeling het leerstuk hanteerbaar: wie de factorenlijst uit kolom 2 kent, weet aan beide kanten van de tafel wat er moet gebeuren.
Grondslag · van wettelijke plicht via contract naar de rechterlijke toets
1. De wettelijke laag: de Wwft
Art. 3, 8, 5, 16, 17 en 17a Wwft
De Wwft verplicht de bank tot cliëntenonderzoek (art. 3): weten wie de klant en diens uiteindelijk belanghebbende (UBO) is, wat het doel van de relatie is, en doorlopend controleren of de transacties passen bij het risicoprofiel, zo nodig met onderzoek naar de bron van de middelen. Bij verhoogd risico volgt verscherpt onderzoek (art. 8). Kan het onderzoek bij een bestaande klant niet worden voltooid, dan moet de bank de relatie beëindigen (art. 5 lid 3). Parallel loopt de meldplicht: ongebruikelijke transacties gaan naar FIU-Nederland (art. 16), en juist het mislukte cliëntenonderzoek met witwas- of terrorismefinancieringsindicaties is een meldingsgrond (art. 16 lid 4). Beëindigen ontslaat dus niet van melden. Op verzoek van FIU-Nederland moet de bank bovendien nadere gegevens over een melding of een betrokken transactie verstrekken (art. 17); dat levert geen schending van een geheimhoudingsplicht op. En sinds 1 juli 2026 kan de FIU de bank vragen de uitvoering van een transactie tijdelijk aan te houden, ten hoogste vijf werkdagen en bij een verzoek dat voortkomt uit een buitenlandse FIU tot in totaal tien werkdagen (art. 17a).
2. De contractuele laag: de Algemene Bankvoorwaarden
Art. 2, 3 en 35 ABV 2017
De ABV 2017 leggen een wederzijdse zorgplicht vast (art. 2): de bank is bij haar dienstverlening zorgvuldig en houdt zo goed mogelijk rekening met de belangen van de klant, en de klant houdt omgekeerd rekening met de belangen van de bank en stelt haar in staat haar wettelijke en contractuele verplichtingen na te komen. Art. 3 werkt dat uit in een informatieplicht: de klant informeert de bank desgevraagd over zijn activiteiten en doelen, waarom hij een product afneemt, en hoe hij aan zijn geld en andere ingebrachte zaken is gekomen. Art. 35 geeft beide partijen een opzeggingsbevoegdheid, ook zonder dat de ander in verzuim is; de bank houdt zich bij die opzegging aan de zorgplicht van art. 2 lid 1 en laat desgevraagd weten waarom. In een Wwft-opzegging komen beide lagen samen: de wet levert de plicht, de bankvoorwaarden de bevoegdheid en de zorgvuldigheidsnorm.
3. De civielrechtelijke toets: twee arresten van de Hoge Raad
ING/De Keijzer (2014) en ING/Yin Yang (2021)
Maakt een partij gebruik van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging, dan wordt de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld aan de hand van de overeenkomst én de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW; bij die afweging mag gewicht toekomen aan de zorgplicht van art. 2 ABV (HR 10 oktober 2014, ING/De Keijzer, r.o. 3.5.2 en 3.5.4). Let op de reikwijdte: dat arrest betreft de opzegging van een kredietovereenkomst en noemt art. 35 ABV niet; de bankpraktijk past de maatstaf toe op de opzegbevoegdheid van art. 35 ABV. Het belang van de klant bij toegang tot het betalingsverkeer weegt zwaar, maar dat volgt niet uit De Keijzer: op banken kan wegens hun maatschappelijke positie de plicht rusten een betaalrekening aan te bieden, ook aan een niet-consument, en juist daar overweegt de Hoge Raad dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en een bedrijf te exploiteren (HR 5 november 2021, ING/Yin Yang, r.o. 3.2). Die twee arresten vormen samen het toetsingskader waarop vrijwel de hele feitenrechtspraak van 2020-2026 steunt.
Situatie
Maatstaf
Peilmoment
opzegging
Bestaande relatie: art. 35 ABV, ingekleurd door art. 2 ABV, getoetst aan 6:248 lid 2 BW
Ex tunc: het moment van de opzegging
weigering
Nieuwe relatie of heropening: contracteerplicht via de bijzondere zorgplicht en belangenafweging (Yin Yang)
Ex nunc: het moment van beoordeling
plicht
Opzegging op art. 5 lid 3 Wwft: is de plicht er echt, en is er dan nog ruimte voor een afweging? (de open rechtsvraag, kolom 2 stap 2)
Van eerste signaal tot de opzegbeslissing, in vier stappen plus praktijk
Deze kolom volgt de weg die vrijwel elke opzegcasus aflegt: het doorlopende cliëntenonderzoek dat de wet elke bank oplegt (stap 1), de signalen die het onderzoek intensiveren, van mediaberichten tot afwijkende transactiepatronen (stap 2), de vragenronde waarin de klant contractueel verplicht is mee te werken en waar de meeste zaken worden gewonnen of verloren (stap 3), en de beslissing dat het onderzoek niet met een positief resultaat kan worden afgerond, met de opzegplicht en de parallelle meldplicht als uitkomst (stap 4). Stap 5 vertaalt het naar de praktijk, voor klant én bank.
Kennen
identiteit, UBO, doel relatie
→
Signaal
risico verhoogd · onderzoek intensiveert
→
Vragen
klant moet meewerken (ABV)
→
Beslissing
afronden of beëindigen
Een doorlopende cyclus, niet één moment
Het onderzoek stopt niet bij acceptatie. In het NVB-framework voor ongoing due diligence verschuift de bank van een vast ritme naar risico: in het traditionele model zijn periodieke reviews op een vaste termijn een groot deel van het onderzoek, in het risicogebaseerde model komt de aanleiding uit risicotriggers en vervangt een gerichte Event Driven Review die vaste controle. De cyclus loopt telkens gelijk:
Detecteren: klantscreening, transactiemonitoring en klantmonitoring genereren alerts en events.
Triage en beoordeling: het signaal wordt gewogen en, waar nodig, opgevolgd met (verscherpt) cliëntenonderzoek.
Vervolgstap: een melding bij FIU-Nederland, mitigerende maatregelen, of, als het onderzoek niet kan worden afgerond, beëindiging van de relatie.
De intensiteit van zo'n review loopt op van geautomatiseerd, via risicogedifferentieerd, tot uitgebreid handmatig onderzoek, afhankelijk van het risico.
Plek in het stelselHet cliëntenonderzoek is het fundament: niet kunnen voldoen aan art. 3 is de wettelijke trigger voor de opzegplicht van art. 5 lid 3 onderzoek
Waardoor het cliëntenonderzoek wordt getriggerd
Na acceptatie loopt het cliëntenonderzoek door als ongoing due diligence. De NVB Risicogebaseerde Standaard Ongoing Due Diligence (in overleg met DNB) laat zien dat de aanleiding voor een review steeds vaker uit risicotriggers komt in plaats van uit een controle op een vaste periode. De risicodetectiemechanismen die alerts en events genereren:
Klantscreening: sanctie- en PEP-screening en toetsing aan hoogrisicojurisdicties (art. 2 Regeling toezicht Sanctiewet; art. 8 en 9 Wwft).
Transactiemonitoring: het detecteren van ongebruikelijk gedrag in transacties (art. 2, 3, 8, 9 en 16 Wwft).
Klantmonitoring: het continu volgen van zowel statische klantgegevens als het klantgedrag.
Andere triggers: media- en strafrechtnieuws, signalen van andere banken, of twijfel over eerder verkregen gegevens.
Triggers vanuit FIU-Nederland: een verdachtverklaring van een gemelde transactie, een bevraging om nadere gegevens (art. 17 Wwft), of de opschortingsbevoegdheid waarmee de FIU een transactie tijdelijk laat aanhouden (art. 17a Wwft, sinds 1 juli 2026).
Een relevante trigger leidt tot een gerichte Event Driven Review (EDR), die de standaard periodieke review steeds meer vervangt. De wettelijke aanleidingen voor cliëntenonderzoek staan in art. 3 lid 5 Wwft; de risicogebaseerde aanpak zet capaciteit gericht in op de hoogste risico's.
Wat de bank moet weten
Art. 3 Wwft verplicht de bank tot een onderzoek dat risicogebaseerd en aantoonbaar is afgestemd op de klant. De kernonderdelen:
Onderdeel
Wat het inhoudt
Waar het knelt in de praktijk
Identificatie
Cliënt en uiteindelijk belanghebbende (UBO) identificeren en verifiëren
Vaststellen waarvoor de relatie dient en wat het verdienmodel is
Branchevreemde activiteiten, activiteiten die niet in het Handelsregister staan
Doorlopende controle
Transacties monitoren en toetsen aan het risicoprofiel, zo nodig met onderzoek naar de bron van de middelen (lid 2 onder d)
Contante stortingen en opnamen, leningen zonder documentatie, transacties binnen een gesloten circuit van gelieerde partijen
Belangrijk voor alles wat volgt: de bank heeft geen opsporingsbevoegdheden. Zij is afhankelijk van openbare bronnen, haar eigen transactiedata en vooral van de informatie die de klant zelf geeft. Dat is de reden dat de rechtspraak zo zwaar tilt aan de medewerking van de klant (stap 3), en tegelijk de reden dat de bank haar taak niet mag oprekken tot die van het OM: de taak is witwassen voorkomen, niet strafbare feiten opsporen (hof Arnhem-Leeuwarden, Suntel-bodemarrest).
Van typologie naar gerichte uitvraag
De risicotriggers geven een beeld van de mogelijke typologie: witwassen, terrorismefinanciering of het omzeilen van sancties. Naar onze mening bepaalt die typologie de uitvraag. Een risicogebaseerde klantuitvraag richt de vragen en de gevraagde documentatie precies op het geconstateerde risico. Dat maakt later aantoonbaar welk integriteitsrisico de bank loopt als een afdoende reactie of onderbouwing uitblijft, inclusief de eventueel aangeleverde bewijsstukken.
De uitvraag moet dus aansluiten op de typologie. Ter illustratie: is de aanleiding een witwastypologie waarbij de herkomst van de middelen onduidelijk is, dan vraagt de bank juist naar die herkomst en naar documentatie die de herkomst onderbouwt. Vragen naar de bestemming van de gelden mitigeren het risico niet: ook een volledig en onderbouwd antwoord daarover neemt de onduidelijkheid over de herkomst niet weg.
Risicogebaseerd, niet uitputtend
Sinds mei 2024 is de toezichtsnorm van DNB uitdrukkelijk risicogebaseerd: de Q&As en Good Practices Wwft vervingen de oude, meer voorschrijvende Leidraad, juist om onnodige uitsluiting van klanten tegen te gaan. De NVB Standaarden voor risicogebaseerd klantenonderzoek (vanaf 2023, afgestemd met DNB en het ministerie van Financiën) vertalen dat per sector: welk onderzoek is proportioneel voor een non-profit, een cryptodienstverlener of een sekswerker. Voor de opzegvraag betekent dit dat de lat per klant verschilt: een laagrisicoklant hoeft niet door dezelfde molen als een hoogrisicoklant, en een bank die dat toch doet, handelt niet risicogebaseerd.
Vanaf 10 juli 2027: onder de rechtstreeks werkende AMLR (Verordening (EU) 2024/1624) verhuist dit cliëntenonderzoek naar art. 20 AMLR; kan het niet worden voltooid, dan schrijft art. 21 AMLR de beëindiging voor. De verplichting blijft materieel gelijk, met een uitdrukkelijke documentatieplicht die ook voor weigeringen en beëindigingen geldt.
Plek in het stelselVerhoogd risico leidt eerst tot intensiever onderzoek, niet direct tot opzegging; pas als ook dat onderzoek niet kan worden voltooid komt art. 5 lid 3 in beeld onderzoek
Wat het onderzoek intensiveert
Art. 8 Wwft verplicht tot verscherpt cliëntenonderzoek bij een hoger risico: politiek prominente personen (PEP's, art. 8 lid 6), complexe of ongebruikelijk grote transacties, en cliënten in een door de Europese Commissie aangewezen hoogrisicoland (met de aanvullende maatregelen in art. 9 Wwft). In de opzegrechtspraak zijn de triggers meestal feitelijker. De signalen die in de geverifieerde uitspraken 2020-2026 het onderzoek in gang zetten of intensiveerden:
Contant geld: grote of gestructureerde stortingen en opnamen, 500-eurocoupures, opnamen in porties net onder meldgrenzen (smurf-patronen), contante invoer uit het buitenland net onder de aangiftegrens.
Media en strafrecht: publicaties over vervolging of veroordeling van de klant, de bestuurder of diens directe omgeving; FIOD-onderzoeken; fraudemeldingen van andere banken.
Onverklaarbare geldstromen: leningen zonder overeenkomst, managementvergoedingen zonder aantoonbare tegenprestatie, transacties binnen een gesloten circuit van gelieerde vennootschappen (het "klantcomplex"), doorboekingen naar privé.
Structuur: ondoorzichtige eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen, stichtingen als grootaandeelhouder met onduidelijke UBO, naar voren geschoven stromannen, branchevreemde dochters.
Gedrag op de rekening: zakelijk gebruik van een privérekening na waarschuwingen, gebruik als doorsluisrekening, gokken met geld van derden.
Branche als context: een verhoogd brancherisico (contant-intensief, crypto, telecom, vastgoed, zorg) rechtvaardigt intensiever onderzoek, maar alleen in combinatie met individuele signalen; de branche alleen is onvoldoende (stap 3 van kolom 2).
Sanctierisico als aparte tak: naast de Wwft toetsen banken aan de Sanctiewet en aan eigen, aanvullend sanctiebeleid. In Rotterdam 11 maart 2026 stond tussen partijen niet ter discussie dát de bank zulk boven-EU-beleid mag voeren; de toets ging alleen over de kenbaarheid, en het beleid was voldoende kenbaar gemaakt. Schending ervan droeg daar, samen met een cliëntenonderzoek dat niet kon worden afgerond, de opzegging (Rotterdam 11 maart 2026, aanvullend sanctiebeleid Rusland). Andersom hield een opzegging op onvoldoende medewerking aan het klantonderzoek plus sanctie-, integriteits- en reputatierisico geen stand toen de gronden, afgewogen tegen het belang van de klant, voorshands onvoldoende steekhoudend waren (Libische staatsfondsen, hof Amsterdam 2026). HvJ EU 11 juni 2026, C-81/24 (Jenec) heeft daarnaast beslist dat lidstaten kredietinstellingen niet mogen verplichten een basisbetaalrekening te weigeren op de enkele grond dat de consument voorkomt op een lijst van personen tegen wie een derde land beperkende maatregelen heeft getroffen, zoals de Amerikaanse OFAC-lijst; vereist is een individuele beoordeling van het witwas- of terrorismefinancieringsrisico dat aan de beoogde relatie is verbonden. Opname op zo'n lijst leidt niet automatisch tot een verbod de relatie aan te gaan (punt 45). Ook het toekennen van een hoger risiconiveau en de daaruit volgende verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen gaan niet automatisch: daaraan moet identificatie van het hogere risico voorafgaan (punt 49). Is de vermelding eenmaal als relevante risicofactor vastgesteld, dan bepaalt de richtlijn juist dat de instelling niet automatisch weigert maar verscherpt cliëntenonderzoek toepast, na een geïndividualiseerde beoordeling van alle relevante risicofactoren (punt 51). Het automatisme dat het Hof afwijst is dus de weigering, niet het verscherpte onderzoek. Het Hof wijst er bovendien op dat de beperkte functionaliteiten van een basisbetaalrekening het risico juist verkleinen (punt 52). Weigeren mag alleen als de instelling na die beoordeling vaststelt dat zij het risico niet doeltreffend kan beheersen met maatregelen die evenredig zijn aan haar aard en omvang (punten 53 en 54). Een screeningstreffer is voor de basisbetaalrekening dus het begin van het onderzoek en niet de uitkomst. Het arrest ziet uitsluitend op de weigering van toegang; over de opzegging van een bestaande relatie laat het zich niet uit.
Vanaf 10 juli 2027: het verscherpt cliëntenonderzoek gaat op in de enhanced due diligence van art. 34 AMLR (Verordening (EU) 2024/1624): bij hoger risico dezelfde intensivering, nu met een rechtstreeks werkende Europese grondslag.
De informatieplicht van de klant (art. 2 en 3 ABV)
Het cliëntenonderzoek · stap 3 van 5
Plek in het stelselHier worden de meeste zaken gewonnen of verloren: de medewerking van de klant bepaalt of het onderzoek kan worden afgerondonderzoek
De spiegelbeeldige plicht
Tegenover de onderzoeksplicht van de bank staat de informatieplicht van de klant: op grond van de artikelen 2 en 3 ABV (en vaak ook art. 7) stelt de klant de bank in staat haar wettelijke en contractuele verplichtingen na te komen. Art. 3 ABV vraagt daarvoor concreet om informatie over zijn activiteiten en doelen, waarom hij een product of dienst afneemt, en hoe hij aan zijn geld en andere ingebrachte zaken is gekomen. Een beroep op privacy of op de eigen onschuld ontslaat daar niet van. Het strafrecht en het onderzoek van de bank staan namelijk op twee sporen: de strafrechter beoordeelt of schuld wettig en overtuigend is bewezen, terwijl de bank het integriteits- en witwasrisico van de relatie beoordeelt, risicogebaseerd. Een vrijspraak betekent dus alleen dat die schuld niet bewezen is, niet dat het risico is weggenomen. Onverklaarde geldstromen of een onduidelijke herkomst van middelen blijven voor het risicoprofiel relevant, ook na een vrijspraak, en de klant moet daarover dus blijven verklaren. De bank mag daarbij open vragen stellen; juist een open vraag geeft de klant alle ruimte voor een antwoord, en "de bank het bos insturen" komt voor rekening van de klant (Suntel-bodemarrest).
Wat de bank aan haar kant moet doen
De zorgvuldigheid is wederzijds. Uit de rechtspraak, het scherpst samengevat in de tweelingvonnissen van juni 2026: de bank moet de klant voldoende tijd geven, ruimte laten voor misverstanden (zeker bij kleine ondernemers of klanten die het Nederlands minder goed beheersen), de antwoorden en stukken echt bestuderen, de klant in het voortraject een reële kans geven zich uit te laten over de feiten die zorgen opleveren, en de opzegging deugdelijk motiveren. Hoe uitvoeriger de klant antwoordt, hoe uitvoeriger de motivering moet zijn. Een opzegging houdt geen stand wanneer de bank haar voornaamste bezwaar nooit als concrete vraag heeft voorgelegd, haar gronden pas ter zitting aanvult, of antwoorden die zij eerder als voldoende bestempelde later alsnog terzijde schuift.
Medewerking die het onderzoek frustreert
Niet, te laat of gedeeltelijk antwoorden; deadlines missen na uitstel
Tegenstrijdige of wisselende verklaringen (bijv. over de UBO)
Gevraagde stukken niet leveren: kasboek, jaarrekening, leenovereenkomsten
Nietszeggende antwoorden op open vragen; eerdere antwoorden kopiëren
Liegen, ook tegen de rechter (art. 21 Rv wreekt zich)
Medewerking die standhoudt
Tijdig, volledig en consistent antwoorden, ook op ongemakkelijke vragen
Documentatie leveren die de antwoorden onderbouwt
Herkomst van contante en girale stromen verifieerbaar maken
Bij onduidelijke vragen om verduidelijking vragen, schriftelijk
Zelf hulp inschakelen bij taal- of administratieproblemen
De grens aan het geduld van de bank: van een bank kan niet worden verwacht dat zij eindeloos blijft rappelleren terwijl het witwasrisico voortduurt. Op enig moment mag de conclusie worden getrokken dat het onderzoek niet kan worden voltooid, ook als de klant niet opzettelijk informatie achterhield: het gaat erom dát de informatie er niet kwam, niet waarom.
Niet af te ronden: de opzegplicht (art. 5 lid 3 Wwft)
Het cliëntenonderzoek · stap 4 van 5
Plek in het stelselDe wet maakt van de opzegging een plicht, geen keuze; maar de conclusie "niet af te ronden" moet zelf zorgvuldig tot stand komen onderzoek
Wanneer de plicht ontstaat
Kan de bank bij een bestaande klant niet voldoen aan het cliëntenonderzoek van art. 3 Wwft, dan verplicht art. 5 lid 3 Wwft haar de relatie te beëindigen: zij kan het risico van misbruik van haar diensten dan niet overzien. Twee dingen zijn daarbij vaste rechtspraak. Concrete bewijzen van criminaliteit zijn niet vereist: het gaat om het niet kunnen wegnemen van integriteitsrisico's, niet om schuldvaststelling. En de conclusie kan op twee manieren worden bereikt: de klant antwoordt niet, gebrekkig of zonder onderbouwing, óf de klant antwoordt wel, maar de antwoorden overtuigen niet of nemen de zorgen niet weg. In dat laatste geval gelden zwaardere eisen aan het voortraject: de bank moet haar zorgen als vraag hebben voorgelegd en de afwijzing van de antwoorden motiveren.
Vragen gesteld
zorgen expliciet voorgelegd, reële kans om te reageren
→
Antwoorden gewogen
echt bestudeerd, gemotiveerd afgewezen
→
Conclusie
onderzoek niet af te ronden · relatie beëindigen
De parallelle sporen bij de beëindiging
Spoor
Grondslag
Wat er gebeurt
Opzegging
Art. 5 lid 3 Wwft via art. 35 ABV
Beëindiging met een termijn; de ABV blijven op de afwikkeling van toepassing (art. 35 lid 3)
Melding
Art. 16 lid 4 Wwft
Het mislukte cliëntenonderzoek met witwas- of terrorismefinancieringsindicaties wordt gemeld bij FIU-Nederland; beëindigen ontslaat niet van melden
Registratie
AVG, protocol PIFI
Interne registratie (IVR, CAAML of vergelijkbaar) en soms externe (EVR); apart toetsbaar, zie kolom 2 stap 4
Blokkade
Art. 35 lid 3 ABV
Saldi kunnen hangende onderzoek geblokkeerd blijven; ook na beëindiging gelden de voorwaarden door
De grondslag moet er wel zijn: de opzegplicht loopt via het contract. Een financier zonder ABV-achtige medewerkingsplicht in zijn voorwaarden (bijvoorbeeld een hypotheekverstrekker met eigen leningsvoorwaarden) kan een relatie niet zonder meer beëindigen door enkel naar de Wwft te verwijzen: in het Obvion-vonnis oordeelde de rechtbank dat de financier daar voor de informatievraag én voor de beëindiging een contractuele grondslag nodig had, omdat de artikelen 3 en 5 Wwft geen normen bevatten die rechtstreeks doorwerken in de contractuele relatie van financier en cliënt (Rb. Den Haag 13 november 2024, r.o. 4.13 en 4.26-4.27, mede op grond van wetsgeschiedenis en literatuur, r.o. 4.11-4.12). De klant die niet meewerkte schond daarom in die zaak geen contractuele verplichting (r.o. 4.23).
Bezwaar, klacht en de weg naar de rechter
Tegen een beëindiging staan altijd rechtsmiddelen open. De klant legt een bezwaar of klacht eerst voor via de interne klachtenprocedure van de bank; elke bank moet die hebben (art. 4:17 Wft) en de ABV wijzen de weg (art. 34 ABV 2017, klachten en geschillen). Komen partijen er samen niet uit, dan is de civiele rechter de route (kort geding of bodem), zoals kolom 2 laat zien.
Vanaf 10 juli 2027: de opzegplicht loopt dan via art. 21 AMLR en de parallelle meldplicht via art. 69 AMLR (Verordening (EU) 2024/1624); een cliëntenonderzoek dat niet kan worden voltooid is uitdrukkelijk zelf een grond om een melding te overwegen.
Stappen 1-4 in de praktijkhet onderzoek overleven, aan beide kanten van de tafel onderzoek
Checklist voor de klant die vragen krijgt
Beantwoord elke vraag schriftelijk, tijdig en volledig; vraag gemotiveerd uitstel als de termijn niet haalbaar is, en haal de nieuwe termijn wél.
Onderbouw met documenten: kasadministratie, jaarrekeningen van de eigen entiteit (niet alleen geconsolideerd), leen- en huurovereenkomsten, facturen, transportdocumenten.
Houd verklaringen consistent, ook tussen gelieerde partijen: tegenstrijdige UBO-verklaringen binnen een groep zijn in de rechtspraak fataal gebleken.
Verklaar contante stromen verifieerbaar; structureren onder meld- of aangiftegrenzen wordt herkend en werkt tegen je.
Reageer ook op vragen naar mediaberichten of strafzaken: een vrijspraak is een antwoord, geen vrijstelling van antwoorden.
Leg het dossier zelf ook aan: bewaar alle vragen, antwoorden en leverbewijzen; bij een kort geding is dat je bewijs van medewerking.
Loopt het toch vast: vraag de bank om een gemotiveerde opzegging (art. 35 ABV) en toets die aan de factoren uit kolom 2 voordat je procedeert (interactief door te lopen in de flowtool).
Checklist voor de bank (en de compliance-professional)
Leg per zorg een expliciete vraag voor; een zorg die nooit als vraag is gesteld, kan de opzegging niet dragen.
Geef tijd en ruimte voor misverstanden, zeker bij kleine ondernemers; documenteer rappels en uitstel.
Bestudeer de antwoorden aantoonbaar en motiveer per antwoord waarom het de zorg niet wegneemt; de motiveringsplicht groeit mee met de uitvoerigheid van de antwoorden.
Toets op het individuele dossier, niet op de branche; gebruik de NVB-sectorstandaard als maat voor wat proportioneel is.
Herbeoordeel bij nieuwe antwoorden en dateer de definitieve opzegbrief helder: dat is het toetsmoment (ex tunc).
Overweeg mitigatie vóór beëindiging: voorwaarden aan het gebruik, pin-only, geen kasfaciliteit, splitsing zakelijk/privé (EBA/GL/2023/04).
Richt de registratie proportioneel in: doel, duur en reikwijdte apart gemotiveerd.
Aandachtspunten
Naar onze mening ligt de uitkomst van een opzegzaak zelden in de rechtszaal en vrijwel altijd al in het vraag-en-antwoorddossier dat eraan voorafgaat. Niet de rechtsvraag geeft daar de doorslag, maar de feiten; wie dat dossier op orde heeft, wint doorgaans de zaak.
De privérekening is geen bijvangst: de rechtspraak splitst waar mogelijk (zakelijke relatie beëindigd, privérekening voortgezet) wanneer de privésfeer geen vragen opriep.
Let op het onderscheid tussen productsoorten: voor een beleggingsrekening geldt een lichtere toets dan voor een betaalrekening, want het verlies ervan is minder ingrijpend. Lichter is niet vrijblijvend: ontbreekt een zwaarwegende reden, dan kan een beëindiging die onvoldoende rekening houdt met de nadelige gevolgen alsnog onaanvaardbaar zijn (GHAMS:2020:1992, r.o. 3.6 en 3.10). Een hypotheek zonder ABV-grondslag valt buiten het gewone kader.
De civielrechtelijke toets, de factoren en de vangnetten
Deze kolom volgt de opzegging naar de rechtszaal en verder. Eerst de maatstaf: drie situaties met elk een eigen toets en peilmoment (stap 1). Dan de scherpste open rechtsvraag van dit leerstuk: is er bij een wettelijke opzegplicht nog ruimte voor een belangenafweging (stap 2)? Vervolgens de factoren die in 70 geverifieerde uitspraken de uitkomst bepaalden (stap 3), en wat er na een opzegging gebeurt: registraties, de basisbetaalrekening en de nieuwe zakelijke variant (stap 4). Stap 5 kijkt vooruit: de Europese AMLR en de zaken die nu bij de Hoge Raad en het HvJEU liggen.
Maatstaf
welke toets, welk peilmoment
→
Open vraag
afweging bij plichtopzegging?
→
Factoren
pro bank · pro klant · mitigatie
→
Daarna
registratie · vangnetten
De maatstaf: drie situaties, twee peilmomenten
De rechter en daarna · stap 1 van 5
Plek in het stelselWelke toets geldt, hangt af van de situatie: opzegging, weigering of heropening; verwar ze niet toets
Situatie 1: opzegging van een bestaande relatie
De bank gebruikt haar bevoegdheid uit art. 35 ABV. De toets: is dat gebruik, gelet op alle omstandigheden en ingekleurd door de zorgplicht van art. 2 ABV, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:248 lid 2 BW)? Die toets is terughoudend, maar het belang van de klant bij toegang tot het betalingsverkeer weegt zwaar. Het peilmoment is ex tunc: het moment van de (laatste, definitieve) opzeggingsbrief. Wat de klant daarna alsnog aanlevert, telt in beginsel niet mee; wat de bank daarna aan gronden verzint, evenmin. Met "daarna" is die definitieve opzegging bedoeld: een reactie of stukken in het voortraject, vóór die brief, tellen juist wél mee, omdat de bank een reële kans moet bieden om op de kernzorgen te reageren (RBMNE:2026:3769). Latere informatie maakt de opzegging niet alsnog onaanvaardbaar, maar kan wel een heropening dragen: is het cliëntenonderzoek later voltooid, dan kan de maatschappelijke positie van de bank tot contracteren dwingen, ex nunc getoetst (GHAMS:2022:3223). Het peilmoment volgt bovendien de aard van de vordering: vraagt de klant een verklaring voor recht dat de opzegging onrechtmatig was, dan is beslissend of zij op de datum van de opzeggingsbrief onaanvaardbaar was (ex tunc); vordert hij daarnaast instandhouding van de relatie, dan betrekt de rechter alle ontwikkelingen tot aan de dag van de mondelinge behandeling, omdat die instandhouding voor de toekomst geldt (ex nunc) (RBAMS:2025:8476, r.o. 4.4 en 4.5). Dat kan twee kanten op werken: opgehelderde punten tellen mee in het voordeel van de klant, maar wat ondanks het tijdsverloop onbeantwoord blijft, weegt dan juist zwaarder. En bij de ex-tunc-toets is de rechter niet gebonden aan de reden die in de opzegbrief staat; het gaat om de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren (RBMNE:2026:881, r.o. 3.7 — een opzegging door een betaalinstelling, getoetst aan art. 6:248 lid 2 BW en niet aan de Wwft).
Situatie 2: weigering van een nieuwe relatie of heropening
Hier draait de vraag om: kan de klant een rekening afdwingen? Sinds ING/Yin Yang kan op een bank wegens haar maatschappelijke positie de plicht rusten een betaalrekening aan te bieden, ook aan een niet-consument, na een belangenafweging tussen het integriteitsrisico en de onmisbaarheid van de rekening. Het peilmoment is ex nunc: de situatie op het moment van beoordeling. De lat ligt hoger voor extra's: een contant-stortfaciliteit of een beleggingsrekening is geen betaalrekening. En na een rechtsgeldige opzegging bestaat in beginsel geen heropeningsplicht; wél kan een voltooid onderzoek waarmee de risico's in beeld zijn tot contracteren dwingen.
Situatie 3: de opzegging op grond van de wettelijke plicht
Beroept de bank zich op art. 5 lid 3 Wwft, dan ligt de stelplicht bij de bank: zij moet aannemelijk maken dat zij een zorgvuldig en individueel onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het af te ronden. Slaagt dat, dan weegt de wettelijke plicht zeer zwaar of sluit hij de afweging zelfs uit (stap 2). Slaagt het niet, dan valt de bank terug op situatie 1, en een subsidiair beroep op de algemene contractsvrijheid helpt haar dan niet: daar was het in een Wwft-zaak niet om te doen.
Situatie
Toets
Peilmoment
Wie moet wat aantonen
opzegging
6:248 lid 2 BW, ingekleurd door art. 2 ABV
Ex tunc
Klant: onaanvaardbaarheid
weigering
Contracteerplicht op grond van de maatschappelijke positie van de bank (Yin Yang)
Ex nunc
Klant: belang bij toegang; bank: risico (belangenafweging)
plicht
Art. 5 lid 3 Wwft, zorgvuldigheid van het onderzoek
Ex tunc
Bank: zorgvuldig én individueel onderzoek, niet af te ronden
De open rechtsvraag: belangenafweging bij plichtopzegging
De rechter en daarna · stap 2 van 5
Plek in het stelselHier zijn de feitenrechters het oneens en heeft de Hoge Raad nog niet gesproken; wie hierover adviseert of procedeert, moet beide lijnen kennen toets
Ook bij een opzegplicht ex art. 5 lid 3 Wwft blijft toetsing aan 6:248 lid 2 BW en een belangenafweging denkbaar
Verwerpt expliciet het "voorshands geen afweging" van Rb. Rotterdam
Maar: de wettelijke plicht legt groot gewicht in de schaal, en 6:248 lid 2 is sowieso terughoudend
De Midden-Nederland/Rotterdam-lijn: geen afweging meer
Rb. Midden-Nederland (2024, bevestigd in de tweelingvonnissen 2026 en in kort geding juli 2026), Rb. Rotterdam (2025)
Slaagt de bank in het bewijs van een zorgvuldig én individueel onderzoek dat niet kan worden afgerond, dan is er "in beginsel geen ruimte meer" voor een belangenafweging
De zorgplicht en het klantbelang zitten al in de zorgvuldigheidseisen aan het onderzoek zelf
Vragen als "heeft de klant elders een rekening" komen dan niet meer aan de orde
Verfijning (juli 2026): de afweging over het óf vervalt, "ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV", maar over het hoe "zal er nog een belangenafweging moeten plaatsvinden": de termijn van beëindiging en de alternatieven van de klant
Waarom het verschil vaak kleiner is dan het lijkt
In de praktijk verschillen de twee lijnen minder dan het lijkt, doordat alles draait om de bewijslast (stelplicht) van de bank. Ook in de strenge lijn toetst de rechter de gestelde plicht zelf streng en ex tunc: was het onderzoek werkelijk zorgvuldig en individueel, kreeg de klant een reële kans, is de opzegging deugdelijk gemotiveerd? Wie die toets streng aanlegt, komt langs een andere weg alsnog bij een afweging uit. Dat liet de zaak Salor c.s./Rabobank zien (Amsterdam, juni 2026): de gestelde plicht op grond van art. 5 lid 3 Wwft was voorshands onvoldoende aannemelijk, waarna een volle belangenafweging (continuïteit, meer dan 2.500 werknemers wereldwijd, geen andere optie om aan het bancaire verkeer deel te nemen) in het voordeel van de klant uitviel. Lees die uitkomst wel nauwkeurig: de voorzieningenrechter oordeelde dat er los van de Wwft-plicht in beginsel wél voldoende aanleiding bestond om op art. 35 ABV te beëindigen, en wees de voortzetting voorwaardelijk en tijdelijk toe, totdat Salor c.s. bij een andere bank terecht kunnen en op voorwaarde dat zij zich onvoorwaardelijk conformeren aan het Aanvullend Sanctiebeleid; de vordering tot verwijdering uit het IVR werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd. En de tweelingvonnissen van 19 juni 2026 tonen binnen één kader beide uitkomsten: zelfde rechter, zelfde dag, zelfde klantcomplex; de zaak met het gefrustreerde onderzoek wint de bank, de zaak waarin de bank haar zorgen nooit als vraag stelde wint de klant.
Een kort geding van diezelfde rechtbank van 27 juli 2026 (hypotheekfraudezaak tegen Rabobank) maakt de strenge lijn preciezer en brengt haar dichter bij het hof. De voorzieningenrechter herhaalt dat bij een geslaagde plichtopzegging "een belangenafweging (...) niet aan de orde" is, ook al is de contractuele grondslag art. 35 ABV. Maar direct daarna volgt de begrenzing: "Wel zal er nog een belangenafweging moeten plaatsvinden, waarbij onder meer relevant is op welke termijn de bank de relatie beëindigt en wat de alternatieven zijn van de klant." De afweging verdwijnt dus niet, zij verschuift van het óf naar het hoe: in die zaak woog de rechter mee dat de klant elders al een rekening had, dat oversluiten van de hypotheek 10 tot 12 weken zou duren en dat de bank bereid was de opeisingstermijn zo nodig te verlengen (r.o. 3.7 en 3.21). Naar onze mening verkleint deze of/hoe-splitsing het praktische verschil met de GHARL-lijn verder: over de modaliteiten van de beëindiging weegt ook de strenge lijn de belangen.
Voor de praktijk: reken niet op de afweging als redmiddel en niet op de plicht als vrijbrief. De zaak wordt beslist op de kwaliteit van het onderzoek en de medewerking, welke lijn de rechter ook kiest. De Hoge Raad heeft de knoop nog niet doorgehakt; een civiel HR-eindarrest over de Wwft-plichtopzegging is er nog niet.
De factoren: wanneer wint de bank, wanneer de klant
De rechter en daarna · stap 3 van 5
Plek in het stelselUit 70 geverifieerde uitspraken 2020-2026: de factoren die de uitkomst bepalen, aan beide kanten van de weegschaaltoets
Het beeld in cijfers
Wie de factoren uit deze stap op de eigen situatie wil toepassen, kan ze stap voor stap doorlopen in de flowtool opzegging bankrelatie: elk antwoord legt daar gewicht in de schaal van bank of klant. Circa 65 van die 70 uitspraken hebben een inhoudelijke win-of-verliesuitkomst (de overige zijn tussenarresten of conclusies zonder eindoordeel); daarvan wint de bank er circa 40 en de klant circa 25. Dat is geen kansverdeling voor een nieuwe zaak: alleen grensgevallen halen de rechter, en rechtspraak.nl publiceert selectief. Het patroon is wel stabiel: de bank wint vrijwel altijd als het onderzoek aantoonbaar is gefrustreerd; de klant wint vrijwel altijd bij categoriaal beleid, een opzegging op louter verdenking of een onzorgvuldig proces aan bankzijde.
Factoren pro bank
Gefrustreerd onderzoek: niet, te laat, onvolledig of tegenstrijdig antwoorden; gevraagde stukken niet leveren; liegen (ook tegen de rechter).
Geen administratie: een ontbrekend kasboek of ontbrekende administratie is het eigen risico van de ondernemer (art. 2:10 BW); een zieke boekhouder is geen excuus.
Strafrechtelijke feiten: een veroordeling kan de opzegging, samen met gebrekkige medewerking aan het onderzoek, dragen; een veroordeling is niet vereist, de bank mag op eigen onderzoek afgaan, en bij evidente fraude kan één vervalst document al genoeg zijn.
Zwijgen bij concrete aanwijzingen: wie zich bij concrete aanwijzingen (bijvoorbeeld een OM-bericht of een politie-pv met onderschepte berichten) op het zwijgrecht beroept en de vragen van de bank onbeantwoord laat, mag daarop worden afgerekend; dat is niet in strijd met de onschuldpresumptie of het nemo tenetur-beginsel.
Onopgehelderde geldstromen: contante stromen of leningen waarvan de herkomst ondanks vragen onduidelijk blijft.
Alternatieven: de klant heeft of krijgt elders een rekening (geen "unbankability").
Sanctiebeleid geschonden: kenbaar (ook boven-EU-)sanctiebeleid van de bank geschonden. Let op de grens die HvJ EU 11 juni 2026, C-81/24 (Jenec) trekt voor de weigering van een basisbetaalrekening: de enkele vermelding op een lijst van een derde land draagt die weigering niet; het individueel vastgestelde risico waarvan die vermelding deel uitmaakt, kan haar wel dragen. Naar onze mening ligt het voor de hand dezelfde motiveringseis te stellen bij een opzegging op aanvullend sanctiebeleid, al beslist het arrest daarover niet.
Factoren pro klant
Categoriale uitsluiting: een branche als zodanig weigeren of lozen (trustkantoren, coffeeshops, crypto, smartshops, gokbranche, autohandel) zonder individuele afweging is niet toegestaan; ook verkapt niet. Bij coffeeshops blijft de gedoogde contante achterdeur in beginsel buiten de integriteitstoets, omdat het er anders op neerkomt dat geen enkele coffeeshophouder over een bankrekening kan beschikken. Europeesrechtelijk staat daar C-235/14 (Safe Interenvíos) onder: een risicovermoeden dat op een hele categorie wordt gelegd zonder dat het per geval kan worden weerlegd, gaat verder dan nodig is.
Louter verdenking: een enkele strafrechtelijke verdenking zonder concrete aanwijzingen is een te smalle basis; de onschuldpresumptie weegt mee in de afweging. De rechtbank Midden-Nederland werkte dit in juli 2026 uit tot een kader: de strafrechtelijke onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) werkt via de zorgplicht van art. 2 ABV door in de bankrelatie. Bij een enkele verdenking is zij het uitgangspunt en kan van de klant niet worden gevraagd zijn onschuld aan te tonen; dat wordt anders zodra de bank concrete aanwijzingen heeft en daarover vragen stelt die onbeantwoord blijven (zie de factor hierboven aan bankzijde).
Volledige medewerking: de klant beantwoordde alles en het onderzoek kón worden afgerond; "risicogevoelige branche" alleen is dan onvoldoende. Het doel van de antiwitwasregels is niet om risicoklanten uit het girale verkeer te weren.
Onzorgvuldig proces: geen wederhoor, zorgen nooit als vraag voorgelegd, gronden pas ter zitting, eerder "voldoende" bevonden antwoorden alsnog afkeuren, motivering die de antwoorden negeert.
Geen contractuele grondslag: een financier zonder ABV-achtige medewerkingsplicht kan niet beëindigen op een enkel beroep op de Wwft.
Afhankelijkheid: het is een feit van algemene bekendheid dat het lastig, zo niet onmogelijk is elders een rekening te krijgen als men eenmaal ergens is geweigerd; zwaarwegende continuïteitsbelangen (werkgelegenheid, geen alternatieve bank) tellen mee.
De tussenweg: mitigatie in plaats van beëindiging
De rechtspraak laat een reeks tussenoplossingen zien, in lijn met de EBA-richtsnoeren die opties vóór opzegging verlangen: voortzetting onder voorwaarden aan het rekeninggebruik, een rekening zonder afstortfaciliteit (omzet nagenoeg volledig, meer dan 90%, via pin; grote contante opnames blijven wel mogelijk, want die zal de bank in beginsel moeten accepteren om leveranciers te kunnen betalen), splitsing van zakelijke en privérelatie, een ruimere afwikkeltermijn, en duurbeperking van registraties. Voor de klant is dit onderhandelruimte; voor de bank een manier om risico te beheersen zonder de nutsfunctie te raken.
Plek in het stelselDe opzegging is zelden het einde: registraties bepalen of elders bankieren nog kan, en vangnetten bepalen wat er minimaal overblijft gevolg
De registraties
Een registratie is juridisch een zelfstandige verwerking van persoonsgegevens, los van de opzegging zelf. Niet de Wwft maar de AVG bepaalt of registratie mag en hoe lang, uitgewerkt in het sectorprotocol PIFI (Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen). Sinds 2026 geldt het PIFI 2026, door de Autoriteit Persoonsgegevens goedgekeurd voor acht jaar, tot en met april 2034; de rechter beschouwt het protocol als een regeling die voldoende AVG-waarborgen biedt en toetst de EVR-opname aan art. 5.2.1 PIFI (bedreiging voor klanten, instelling of sector; betrokkenheid die in voldoende mate vaststaat, waarbij van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan; proportionaliteit). De rechter toetst de registratie daarom apart, aan doel, proportionaliteit en bewaartermijn; vaak gaat het om strafrechtelijke persoonsgegevens (art. 10 AVG), waarvoor de lat hoog ligt.
Register
Wie ziet het
Effect
Toets
Intern (IVR, Gebeurtenissenadministratie, CAAML)
Alleen de eigen bank(groep)
Blokkeert terugkeer bij dezelfde bank
AVG: doel, proportionaliteit en duur; vervalt de opzeggingsgrond, dan ook de registratiegrond
Extern (EVR, via het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem)
Alle deelnemende financiële instellingen
Maakt elders bankieren vrijwel onmogelijk
Zwaardere eisen: gegronde verdenking van bijvoorbeeld fraude; duur apart op proportionaliteit toetsbaar
De rechter toetst opzegging en registratie apart: een terechte opzegging draagt de interne registratie meestal mee, maar de registratie van persoonsgegevens van niet-verdachte betrokkenen kan onrechtmatig zijn, en de duur (vaak 6 of 8 jaar) kan worden beperkt. Die duur ligt niet per bank vast, maar wordt per geval gekozen: Rabobank hanteerde acht jaar in RBAMS:2025:7068 (r.o. 2.3) en opnieuw in RBMNE:2026:5206 (registraties tot 7 oktober 2033, voetnoot 1), maar zes jaar in RBROT:2026:2409 (r.o. 3.13); ING acht jaar (PHR:2026:435). Wie de duur bestrijdt, moet die dus zelfstandig aanvallen en niet aannemen dat er een vaste termijn geldt. Precies over die duur en over het begrip strafrechtelijke persoonsgegevens loopt nu een cassatie (conclusie A-G april 2026, arrest verwacht). Bij hypotheekfraude komt naast IVR en EVR ook het register van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) in beeld: in RBMNE:2026:5206 hield de voorzieningenrechter alle vier de registraties (Incidentenregister, IVR, EVR en SFH-register) in stand, omdat de betrokkenheid bij de fraude in voldoende mate vaststond ("meer dan enkel een redelijk vermoeden van schuld"), aangifte was gedaan en de registratie proportioneel was; voor het IVR gelden daarbij lichtere eisen dan voor het EVR, omdat het alleen binnen de eigen bankgroep zichtbaar is (r.o. 3.22-3.27).
Buiten de rechtspraak om, ter illustratie: ook de Geschillencommissie van het Kifid toetst registraties, met een eigen maatstaf. In uitspraak Geschillencommissie Kifid nr. 2026-0651 van 7 juli 2026 bleven na hypotheekfraude dezelfde vier registraties in stand als in de civiele zaak RBMNE:2026:5206 hierboven: het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister, het Intern Verwijzingsregister en het register van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH). Over de beëindiging van de bankrelatie is niet geklaagd, zodat de commissie daarover niet heeft geoordeeld. Voor de registratie van strafrechtelijke persoonsgegevens eist de commissie een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld, plus een toets aan proportionaliteit en subsidiariteit, en zij beoordeelt afzonderlijk of de duur van acht jaar kan worden beperkt. Kifid-uitspraken zijn geen rechtspraak en scheppen geen precedent voor de burgerlijke rechter; deze uitspraak is bovendien niet-bindend gedaan, zodat de consument de zaak nog aan de rechter kan voorleggen. Naar onze mening sluit de gehanteerde maatstaf niettemin aan bij de civiele lijn, en voor een consument is deze route laagdrempeliger dan de burgerlijke rechter.
De vangnetten
Vangnet
Voor wie
Grondslag
Kern
Basisbetaalrekening
Consumenten, rechtmatig in de EU
Art. 4:71f e.v. Wft (Richtlijn 2014/92/EU)
Afdwingbaar bij elke bank die in Nederland betaalrekeningen aan consumenten aanbiedt, behoudens wettelijke weigeringsgronden (o.a. veroordeling witwassen/fraude korter dan 8 jaar geleden)
Convenant Basisbankrekening
Wie ook wettelijk buiten de boot valt
Convenant (Betaalvereniging)
Laatste vangnet, vaak met beheerpartner; eigen voorwaarden, en schending daarvan is opzegbaar
Zakelijke basisbetaalrekening
Ondernemingen, verenigingen en stichtingen (Handelsregister, EU)
Aangenomen: Tweede Kamer 4 februari 2026, Eerste Kamer 19 mei 2026. Per 2 augustus 2026 geen Staatsbladpublicatie en geen inwerkingtredings-KB aangetroffen; het voorstel is dus door beide Kamers aanvaard, maar zolang bekrachtiging en bekendmaking uitblijven is er nog geen geldend recht om op te wijzen
Let op de volgorde: de vangnetten verzachten de opzegging, maar rechtvaardigen haar niet. In de afweging kan een toegezegde basisbetaalrekening wél meewegen ten gunste van de bank; omgekeerd weegt het ontbreken van elk alternatief zwaar voor de klant.
Stand van de zakelijke basisbetaalrekening (peildatum 2 augustus 2026)
De Wet chartaal betalingsverkeer is door beide Kamers aanvaard: de Tweede Kamer op 4 februari 2026 (met onder meer het amendement-Flach c.s. dat ondernemingen, verenigingen en stichtingen recht geeft op een basisbetaalrekening), de Eerste Kamer op 19 mei 2026. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Per 2 augustus 2026 is geen Staatsbladpublicatie en geen inwerkingtredings-KB aangetroffen.
Voor de praktijk is dat onderscheid wezenlijk. Een onderneming die op de peildatum wordt opgezegd kan zich nog niet op dit recht beroepen: het vangnet is parlementair aanvaard maar juridisch nog niet tot stand gekomen. In de belangenafweging kan het vooruitzicht van inwerkingtreding naar onze mening wel meewegen, en dan in beide richtingen. De bank kan aanvoeren dat er zicht is op een alternatief; de klant kan aanvoeren dat dat zicht geen zekerheid biedt zolang bekrachtiging en een inwerkingtredings-KB uitblijven. Hoe zwaar het weegt, hangt dus af van de vraag of er een concrete inwerkingtredingsdatum in zicht is, en die is er op de peildatum niet. Wie hierop een beroep doet, controleert de actuele stand in het Staatsblad in plaats van af te gaan op de aanvaarding door de Kamers.
HvJ EU 11 juni 2026 (Jenec): een sanctielijstvermelding is geen weigeringsgrond op zichzelf
In HvJ EU 11 juni 2026, C-81/24 (Jenec), ECLI:EU:C:2026:470 stond de vraag centraal of een bank een basisbetaalrekening mag weigeren aan iemand die op de Amerikaanse OFAC-lijst staat, terwijl tegen die persoon geen EU-beperkende maatregelen gelden. Het Hof oordeelt dat art. 16 lid 4 van Richtlijn 2014/92/EU, gelezen in samenhang met Richtlijn (EU) 2015/849, lidstaten niet toestaat kredietinstellingen te verplichten de opening van een basisbetaalrekening te weigeren op de enkele grond dat de consument op een dergelijke lijst voorkomt, tenzij de instelling een individuele beoordeling heeft verricht van het aan de beoogde zakelijke relatie verbonden witwas- of terrorismefinancieringsrisico. De vermelding kan in die beoordeling een relevante risicofactor vormen waarmee de instelling rekening moet houden (punt 51), maar zij leidt niet automatisch tot een verbod de relatie aan te gaan (punt 45), en ook een hoger risiconiveau met de daaruit volgende verscherpte maatregelen volgt niet automatisch: daaraan moet identificatie van het hogere risico voorafgaan (punt 49). Is de vermelding eenmaal als relevante risicofactor vastgesteld, dan verplicht de richtlijn de instelling juist tot verscherpt cliëntenonderzoek na een geïndividualiseerde beoordeling van alle relevante risicofactoren, in plaats van tot weigering (punt 51). Het automatisme dat het Hof afwijst is dus de weigering, niet het verscherpte onderzoek. Wat de vermelding niet doet, is de weigering zelfstandig dragen. Het Hof tekent daarbij aan dat de beperkte functionaliteiten van een basisbetaalrekening het risico juist verkleinen (punt 52), en dat een weigering pas op art. 16 lid 4 kan worden gebaseerd als de instelling na haar beoordeling vaststelt dat zij het risico niet doeltreffend kan beheersen met maatregelen die evenredig zijn aan haar aard en omvang (punten 53 en 54).
Naar onze mening bevestigt dit arrest op Europees niveau de lijn die de Nederlandse rechtspraak in dit dossier al hanteert: een categorie of een lijstvermelding vervangt de individuele afweging niet. Twee begrenzingen verdienen daarbij nadruk. Het arrest ziet uitsluitend op de weigering van toegang tot een basisbetaalrekening en niet op de opzegging van een bestaande relatie; doorwerking naar de opzegging is analogie en geen dictum. En het arrest geeft de bank ook ruimte: komt zij na een individuele beoordeling tot de slotsom dat zij het risico niet met evenredige maatregelen kan beheersen, dan mag zij weigeren (punten 53 en 54). Automatismen zijn verboden, uitkomsten niet. Naar onze mening ligt het niettemin voor de hand dat een bank die haar aanvullend sanctiebeleid inroept als opzeggingsgrond (zie de stap Signalen en verscherpt onderzoek), laat zien welk concreet risico zij in dit geval heeft vastgesteld.
Verificatie bij dit arrest. De integrale arresttekst is op 7 augustus 2026 gelezen (CELEX 62024CJ0081); de punten 45, 49, 51, 52, 53 en 54 en het dictum zijn woordelijk bevestigd. Het hoofdgeding is LH tegen OTP banka d.d., voorheen Nova Kreditna Banka Maribor, op verwijzing van de Okrajno sodišče v Mariboru; "Jenec" is een fictieve naam. Het dictum is generiek geformuleerd en noemt de OFAC-lijst niet: die is de casus, niet de norm.
Stappen 1-4 in de praktijkwat er verandert en wat er nu al bij de hoogste rechters ligt gevolg
Vanaf 10 juli 2027: de Europese AMLR
De rechtstreeks werkende antiwitwasverordening (Verordening (EU) 2024/1624) vervangt vanaf 10 juli 2027 de kern van de Wwft-systematiek. Art. 21 AMLR regelt dan de situatie die nu onder art. 5 lid 3 Wwft valt: pas als het cliëntenonderzoek niet kan worden voltooid, moet de instelling de transactie of het aangaan van de relatie achterwege laten, een bestaande relatie beëindigen en een melding overwegen. De documentatieplicht geldt uitdrukkelijk óók voor weigeringen en beëindigingen: elke afwijzing moet onderbouwd vastliggen. Samen met AMLD6, de nieuwe Europese toezichthouder AMLA (Frankfurt) en de bestaande EBA-richtsnoeren dwingt het EU-recht tot precies de lijn die de Nederlandse rechtspraak al vaart: individueel onderzoeken, documenteren, en pas dan beslissen. De Nederlandse implementatiewet (Iwt) is per 2 augustus 2026 nog niet bij de Tweede Kamer ingediend en heeft dus nog geen kamerstuknummer.
Europese uitwerking, stand 2 augustus 2026. AMLA leverde rond de deadline van 10 juli 2026 een reeks final reports op voor technische reguleringsnormen en uitvoeringsnormen onder het AML-pakket. Voor dit leerstuk is vooral de CDD-RTS op art. 28 lid 1 AMLR van belang, die bepaalt welke informatie een instelling bij het cliëntenonderzoek moet verzamelen en dus mede bepaalt wanneer een onderzoek "niet af te ronden" is. Van die RTS is per 2 augustus 2026 geen final report gepubliceerd; de consultatie is gesloten maar de indiening bij de Commissie is niet publiek bevestigd. Naar onze mening houdt wie nu beleid schrijft, dat onderdeel expliciet open.
Wat er nu bij de Hoge Raad en het HvJEU ligt
Zaak
Stand
Waar het om gaat
ICS-lijn (heridentificatie)
Prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld op 12 juni 2026; per 2 augustus 2026 nog geen zaaknummer (C-nummer) bekend
Moet een instelling een kopie-ID met pasfoto bewaren, en hoe verhoudt dat zich tot AVG-dataminimalisatie en bijzondere persoonsgegevens; raakt alle heridentificatietrajecten
Registratie-lijn
Conclusie A-G 24 april 2026 (zaaknr. 25/02752); arrest verwacht, per 2 augustus 2026 nog niet gewezen
De 8-jaarsregistratie na een Wwft-opzegging: strafrechtelijke persoonsgegevens, minimale verwerking en het recht van bezwaar onder de AVG
Klantcomplex-zaken
Vijf kort gedingen nog aanhangig (Rb. Midden-Nederland)
Vervolg op de tweelingvonnissen van 19 juni 2026 over het ABN AMRO-klantcomplex
Plichtopzegging
Geen HR-eindarrest
De open rechtsvraag uit stap 2 wacht op een principiële uitspraak
Aandachtspunten
In de analyse van TRNKL is de rode draad van 2020 naar 2027 er één van toenadering: rechtspraak, toezichthouders en EU-wetgever schuiven allemaal op naar dezelfde norm: geen categoriale de-risking, wel een zorgvuldig, individueel en gedocumenteerd onderzoek, met de beëindiging als laatste redmiddel in plaats van als eerste reactie.
Wie vandaag beleid schrijft of procedeert, moet met twee kaders tegelijk rekening houden: het huidige (Wwft, ABV, 6:248 lid 2 BW) en dat van 2027 (AMLR art. 21, AMLA-richtsnoeren); wat nu wordt vastgelegd, moet straks aan de explicietere documentatie-eisen voldoen (art. 21 lid 3 AMLR).
De gepubliceerde rechtspraak is een selectie van grensgevallen; gebruik haar als factorencatalogus, niet als kansberekening.
Wanneer mag een bank de bankrelatie opzeggen wegens Wwft-risico?
Banken zijn wettelijk poortwachter: de Wwft verplicht hen tot cliëntenonderzoek (artikel 3), tot verscherpt onderzoek bij verhoogd risico (artikel 8) en tot beëindiging van de relatie als dat onderzoek bij een bestaande klant niet kan worden voltooid (artikel 5 lid 3). De klant is op zijn beurt via de Algemene Bankvoorwaarden verplicht mee te werken en informatie te geven over zijn activiteiten en de herkomst van zijn middelen. Tegenover die opzegplicht staat de civielrechtelijke toets: het gebruik van de opzeggingsbevoegdheid van artikel 35 ABV mag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW), en op banken kan wegens hun maatschappelijke positie zelfs de plicht rusten een betaalrekening aan te bieden (Hoge Raad, ING/Yin Yang, 2021). Deze flowchart volgt beide fasen: het cliëntenonderzoek van eerste signaal tot opzegbeslissing, en de toets van de civiele rechter met de factoren die in 70 geverifieerde uitspraken uit 2020-2026 de uitkomst bepaalden, tot en met de registraties en de vangnetten daarna.
De rode draad in de rechtspraak is stabiel: de bank wint vrijwel altijd wanneer de klant het onderzoek frustreert, en de klant wint vrijwel altijd bij categoriale uitsluiting van een branche, een opzegging op louter verdenking of een onzorgvuldig proces aan bankzijde. De scherpste open rechtsvraag, of bij een wettelijke opzegplicht nog een belangenafweging volgt, is door de feitenrechters verschillend beantwoord en wacht op de Hoge Raad. Ondertussen schuift het hele veld dezelfde kant op: toezichthouders (DNB, EBA) en de Europese antiwitwasverordening die per 10 juli 2027 gaat gelden, eisen een individueel, gedocumenteerd onderzoek in plaats van categoriale de-risking, en met de Wet chartaal betalingsverkeer krijgt ook de onderneming een wettelijk recht op een basisbetaalrekening. Alle stappen zijn herleidbaar tot openbare bronnen, met wetgeving en geverifieerde rechtspraak als kern.
Een overzicht van de AMLR (de Europese anti-witwasverordening) en wat er per 10 juli 2027 per onderwerp verandert, staat op de pagina AMLR uitgelegd.
Veelgestelde vragen
Mag een bank de bankrelatie zomaar opzeggen?
Nee. Artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden geeft de bank een opzeggingsbevoegdheid, maar het gebruik daarvan wordt begrensd door de zorgplicht van artikel 2 ABV en door artikel 6:248 lid 2 BW: de opzegging mag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zijn. Daarbij weegt zwaar dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De rechter toetst de opzegging naar het moment waarop zij werd gedaan (ex tunc).
Wat is de opzegplicht van artikel 5 lid 3 Wwft?
Kan een bank bij een bestaande klant het cliëntenonderzoek van artikel 3 Wwft niet voltooien, bijvoorbeeld omdat de klant vragen niet of tegenstrijdig beantwoordt of de herkomst van middelen onduidelijk blijft, dan verplicht artikel 5 lid 3 Wwft de bank de relatie te beëindigen. Concrete bewijzen van criminaliteit zijn daarvoor niet vereist. De rechter toetst wel of de bank het onderzoek zorgvuldig en individueel heeft uitgevoerd voordat zij die conclusie trok.
Moet de bank bij een Wwft-opzegging nog een belangenafweging maken?
Dat is de scherpste open rechtsvraag in dit leerstuk. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in juni 2025 dat ook bij een opzegplicht op grond van artikel 5 lid 3 Wwft toetsing aan artikel 6:248 lid 2 BW en een belangenafweging mogelijk blijft, al legt de wettelijke plicht groot gewicht in de schaal. Rechtbank Midden-Nederland oordeelt scherper: is het zorgvuldige, individuele onderzoek terecht niet afgerond, dan is er in beginsel geen ruimte meer voor een belangenafweging. In juli 2026 verfijnde diezelfde rechtbank dit in kort geding: de afweging over het of van de opzegging vervalt, maar over de termijn van beëindiging en de alternatieven van de klant moet nog wel een belangenafweging plaatsvinden. Rechtbank Rotterdam formuleerde het in kort geding voorzichtiger: dan kan voorshands worden aangenomen dat de opzegging niet onaanvaardbaar is en dat een verdere belangenafweging achterwege blijft. De Hoge Raad heeft dit nog niet beslecht.
Mag een bank een hele branche weigeren of uitsluiten?
Nee. Categoriale uitsluiting van een branche zonder individuele risicobeoordeling en belangenafweging is volgens vaste rechtspraak in strijd met de bijzondere zorgplicht van banken, en volgens de Europese Bankautoriteit een teken van ineffectief risicobeheer. Dat is beslist voor onder meer coffeeshops, trustkantoren, cryptodienstverleners, smartshops en de gokbranche. Een verhoogd brancherisico rechtvaardigt wel een intensiever individueel onderzoek, maar geen weigering op de branche alleen.
Wat moet ik doen als de bank vragen stelt in een cliëntenonderzoek?
Meewerken, tijdig, volledig en consistent. De klant is op grond van de artikelen 2 en 3 van de Algemene Bankvoorwaarden verplicht de bank de informatie te geven die zij voor het cliëntenonderzoek nodig heeft, inclusief de herkomst van middelen. In de rechtspraak wint de bank vrijwel altijd wanneer de klant het onderzoek frustreert: te laat, onvolledig of tegenstrijdig antwoorden, geen administratie of kasboek kunnen tonen, of liegen. Omgekeerd wint de klant vaak wanneer hij aantoonbaar volledig meewerkte en de bank toch opzegde, of wanneer de bank haar zorgen nooit als vraag heeft voorgelegd.
Wat gebeurt er na een opzegging: registratie en basisbetaalrekening?
Na een opzegging registreert de bank de klant vaak intern (het Interne Verwijzingsregister (IVR) of vergelijkbare lijsten zoals CAAML) en soms extern (Extern Verwijzingsregister). Zo'n registratie maakt elders bankieren vrijwel onmogelijk; de rechter toetst de registratie en de duur ervan apart op proportionaliteit. Als vangnet kan een consument bij elke bank die betaalrekeningen aan consumenten aanbiedt een wettelijke basisbetaalrekening afdwingen (art. 4:71f Wft), met het Convenant Basisbankrekening als laatste vangnet. Voor ondernemingen, verenigingen en stichtingen is in 2026 een wettelijk recht op een zakelijke basisbetaalrekening aanvaard via de Wet chartaal betalingsverkeer (Tweede Kamer 4 februari 2026, Eerste Kamer 19 mei 2026); die wet treedt in werking bij koninklijk besluit, en per 2 augustus 2026 is geen Staatsbladpublicatie en geen inwerkingtredings-KB aangetroffen, zodat op dat recht nog geen beroep kan worden gedaan.
Wat verandert er met de Europese antiwitwasverordening (AMLR) in 2027?
Vanaf 10 juli 2027 vervangt de rechtstreeks werkende Europese antiwitwasverordening (Verordening (EU) 2024/1624) de kern van de Nederlandse Wwft-systematiek. Artikel 21 AMLR regelt dan wanneer een instelling die het cliëntenonderzoek niet kan voltooien moet afzien van de relatie of haar moet beëindigen, met een uitdrukkelijke documentatieplicht die ook voor weigeringen en beëindigingen geldt. Samen met de richtsnoeren van de EBA en straks de AMLA dwingt het EU-recht tot een individuele, gedocumenteerde afweging in plaats van categoriale de-risking.