Achtergrond
Vergoedingsrechten en schulden: het vermogen tijdens het huwelijk
Tussen het trouwen en het scheiden ligt het huwelijk zelf, en juist in die jaren schuift het vermogen voortdurend heen en weer. Het recht corrigeert die verschuivingen met vergoedingsrechten: wie met privégeld meebetaalt aan een goed dat op naam van de ander of van de gemeenschap komt, krijgt een vordering tot vergoeding. Voor investeringen vanaf 1 januari 2012 geldt de beleggingsleer van art. 1:87 BW, waarbij de vergoeding evenredig meebeweegt met de waardestijging en -daling van het gefinancierde goed; voor oudere betalingen geldt de nominaliteitsleer van het arrest Kriek/Smit (1987), waarbij alleen het nominale bedrag terugkomt. Naast de vergoedingsrechten regelt de wet het bestuur over de goederen (art. 1:97), het toestemmingsvereiste voor ingrijpende rechtshandelingen zoals de verkoop van de echtelijke woning, een borgtocht of een bovenmatige gift (art. 1:88, met vernietigbaarheid via art. 1:89), en de kosten van de huishouding, die naar evenredigheid van inkomen worden gedragen met hoofdelijke aansprakelijkheid voor gewone huishoudschulden (art. 1:84 en 1:85).
Deze flowchart, deel 3 van de reeks Trouwen en scheiden (formeel: de reeks Huwelijksvermogensrecht), behandelt daarnaast de schuldenkant. Een schuldeiser kan zich in beginsel op de gemeenschap verhalen (art. 1:96 lid 1 BW), maar binnen de beperkte gemeenschap van huwelijken vanaf 2018 is het verhaal voor een privéschuld beperkt tot de helft van de opbrengst, met een overnamerecht voor de andere echtgenoot (art. 1:96 lid 3 BW). De verjaring van vergoedingsrechten kent de bijzonderheid dat de korte termijn tijdens het huwelijk niet loopt (HR 23 december 2022), zodat vergoedingsrechten het beste bij de scheiding geldend worden gemaakt. En de rechtspraak fijnslijpt de vergoedingsrechtlijn: de hoofdregel dat privégeld onder uitsluitingsclausule een vergoedingsrecht geeft (HR 5 april 2019) kent de nuance dat er geen vergoedingsrecht is voor zover dat geld krachtens een rechtsgrond, zoals de draagplicht voor de huishouding, aan gemeenschapsschulden is besteed (HR 27 januari 2023). Als scharnier tussen trouwen en scheiden verbindt dit deel de reeks: het werkt de 2012-grens van art. 1:87 uit die vanuit deel 2 hierheen is doorverwezen, levert de vergoedingsrechten die bij de verdeling van deel 4 worden verrekend, en sluit aan op de onderneming van deel 7. Deze pagina legt het stelsel en de rechtspraak uit en is geen juridisch of fiscaal advies en geen mediation; bij een concrete vermogensverschuiving of een scheiding is maatwerk van een advocaat, notaris of mediator nodig.
Veelgestelde vragen
Wat is een vergoedingsrecht tussen echtgenoten?
Een vergoedingsrecht ontstaat als het vermogen van de ene echtgenoot ten koste is gegaan van, of ten goede is gekomen aan, het vermogen van de ander of van de gemeenschap. Betaalt de ene echtgenoot met privégeld een goed dat op naam van de ander of van de gemeenschap komt, dan krijgt hij een vordering tot vergoeding. Dat corrigeert vermogensverschuivingen die tijdens het huwelijk ontstaan buiten de gemeenschap om. Sinds 1 januari 2012 wordt de omvang van dat recht in beginsel bepaald volgens de beleggingsleer van art. 1:87 BW: de vergoeding beweegt mee met de waardestijging of -daling van het gefinancierde goed.
Krijg ik mijn geld terug als ik de woning van mijn partner heb meebetaald?
In beginsel wel, via een vergoedingsrecht. Heeft u met eigen privégeld meebetaald aan een woning die op naam van uw partner staat, dan krijgt u een vergoedingsrecht. Voor betalingen vanaf 1 januari 2012 geldt de beleggingsleer van art. 1:87 BW: uw vergoeding stijgt of daalt evenredig mee met de waarde van de woning, zodat u meedeelt in de waardeontwikkeling. Is uw privégeld zonder uw toestemming voor het goed van de ander gebruikt, dan krijgt u ten minste het nominale bedrag terug (de nominale ondergrens van art. 1:87 lid 3 BW); stemde u met de besteding in, dan deelt u ook in het risico van waardedaling. Voor betalingen van voor 2012 geldt de nominaliteitsleer (u krijgt het nominale bedrag terug). Art. 1:87 is regelend recht, dus partijen kunnen er bij afspraak van afwijken.
Wat is het verschil tussen de beleggingsleer en de nominaliteitsleer?
De nominaliteitsleer, uit het arrest Kriek/Smit (1987), houdt in dat de financierende echtgenoot alleen het nominale bedrag terugkrijgt, zonder mee te delen in een waardestijging. De beleggingsleer, sinds 1 januari 2012 gecodificeerd in art. 1:87 BW, laat de vergoeding juist evenredig meebewegen met de waardestijging en -daling van het gefinancierde goed: wie meefinanciert, deelt mee in het rendement en het risico. De datum van de investering bepaalt welke leer geldt: betalingen vanaf 2012 vallen onder de beleggingsleer, oudere betalingen onder de nominaliteitsleer.
Heb ik toestemming van mijn partner nodig om het huis te verkopen?
Voor bepaalde rechtshandelingen wel. Ongeacht het huwelijksgoederenregime heeft een echtgenoot de toestemming van de ander nodig voor onder meer het verkopen of bezwaren van de echtelijke woning, bovenmatige giften, borgtochten en koop op afbetaling (art. 1:88 BW). Ontbreekt die toestemming, dan kan de andere echtgenoot de rechtshandeling vernietigen (art. 1:89 BW). Dit toestemmingsvereiste is dwingend recht en beschermt de niet-handelende echtgenoot en het gezin, bijvoorbeeld tegen het verlies van het dak boven het hoofd.
Wie draagt de kosten van de huishouding?
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen, en zijn dat inkomen ontoereikend, naar evenredigheid van ieders vermogen (art. 1:84 BW); echtgenoten kunnen hierover ook afspraken maken. Voor gewone, voor de dagelijkse gang van de huishouding aangegane schulden zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk (art. 1:85 BW), zodat een schuldeiser zich tot ieder van hen kan wenden. Deze regels gelden ongeacht het huwelijksgoederenregime.
Kunnen schuldeisers zich op de gemeenschap verhalen?
Ja, maar binnen grenzen. Een schuldeiser van een echtgenoot kan zich in beginsel op de gemeenschapsgoederen verhalen (art. 1:96 lid 1 BW). Binnen de beperkte gemeenschap (huwelijken vanaf 2018) is het verhaal voor een privéschuld op een gemeenschapsgoed echter beperkt tot de helft van de opbrengst, en heeft de andere echtgenoot een overnamerecht om het goed uit de gemeenschap te halen tegen betaling van de helft van de waarde (art. 1:96 lid 3 BW). Zo wordt de niet-schuldenaar beter beschermd dan onder het oude regime.
Verjaart een vergoedingsrecht tussen echtgenoten?
Tijdens het huwelijk lopen de korte verjaringstermijnen niet: van echtgenoten wordt niet verwacht dat zij elkaar tijdens het huwelijk voor de rechter dagen, zodat de korte termijn van vijf jaar niet van toepassing is op vergoedingsrechten tussen echtgenoten (HR 23 december 2022). De Hoge Raad plaatste daarbij ook een vraagteken bij de toepassing van de twintigjaarstermijn van art. 3:306 BW. Na het einde van het huwelijk voorziet de wet in een verlenging van de termijn met zes maanden. In de praktijk is het dus zaak om vergoedingsrechten bij de scheiding tijdig geldend te maken.
Krijg ik een vergoeding als mijn erfenis is opgegaan aan gemeenschapsschulden?
Niet altijd. Wie een erfenis onder uitsluitingsclausule (dus privé) heeft ontvangen en die op de gezamenlijke rekening laat vloeien, houdt in beginsel een vergoedingsrecht op de gemeenschap (HR 5 april 2019). Maar de Hoge Raad nuanceerde dat: voor zover de erfenis krachtens een rechtsgrond, zoals de draagplicht voor de kosten van de huishouding, aan gemeenschapsschulden is besteed, bestaat er geen vergoedingsrecht (HR 27 januari 2023). Het maakt dus uit waaraan het privégeld precies is opgegaan; goede administratie is opnieuw doorslaggevend.