Achtergrond
Scheiden en verdelen: van ontbinding tot billijke verdeling
Als een huwelijk strandt, valt de gemeenschap van goederen uiteen in twee stappen: eerst de ontbinding, dan de verdeling. Sinds 1 januari 2012 wordt de gemeenschap ontbonden op het moment dat het echtscheidingsverzoek wordt ingediend (art. 1:99 BW); onder het oude recht gebeurde dat pas bij de inschrijving van de echtscheiding. Vervolgens gelden twee peildata: de omvang en samenstelling van de gemeenschap staan dwingend vast op de ontbindingsdatum (HR 20 december 2013), terwijl de waarde in beginsel wordt bepaald op de datum van de feitelijke verdeling (HR 8 februari 2013). De ontbonden gemeenschap wordt bij helfte verdeeld (art. 1:100 BW); afwijken kan alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden (HR 20 september 2013). Wat er precies te verdelen valt, hangt af van het regime uit deel 1: in de beperkte gemeenschap (huwelijken vanaf 2018) zit minder dan in de algehele gemeenschap (voor 2018).
Deze flowchart, deel 4 van de reeks Trouwen en scheiden (formeel: de reeks Huwelijksvermogensrecht), besteedt bijzondere aandacht aan twee terreinen. Het eerste is de verknochtheid (art. 1:94 lid 5 BW): een ontslagvergoeding is verknocht voor zover zij ziet op de periode na de ontbinding (HR 23 februari 2018, bevestigd in 2023), ongeacht de vorm waarin zij is gegoten (HR 24 juni 2016), en een letselschadevergoeding kan verknocht zijn maar vraagt onderbouwing en breekt op bij vermenging (HR 3 november 2006 en 7 december 2012). Het tweede is de sanctie op verzwegen vermogen: wie opzettelijk gemeenschapsgoederen verzwijgt, verbeurt zijn hele aandeel daarin aan de ander, waarbij daadwerkelijke wetenschap is vereist en inkeer de sanctie niet opheft (art. 3:194 lid 2 BW; HR 31 maart 2017). Daarnaast beschermen vangnetten tegen benadeling van de gemeenschap (art. 1:164) en regelen zij het voortgezet gebruik van de woning (art. 1:165; HR 4 maart 2016). De eigen woning en het pensioen krijgen een eigen deel: deel 5 en deel 6. Deze pagina legt het stelsel en de rechtspraak uit en is geen juridisch of fiscaal advies en geen mediation; bij een scheiding is maatwerk van een advocaat, notaris of mediator nodig.
Veelgestelde vragen
Wanneer wordt de gemeenschap van goederen ontbonden bij een scheiding?
Sinds 1 januari 2012 wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden op het moment dat het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank wordt ingediend (art. 1:99 lid 1 sub b BW). Alles wat een echtgenoot daarna verkrijgt of aan schulden aangaat, valt privé en niet meer in de gemeenschap. Voor huwelijken waarbij het verzoek voor 2012 werd ingediend, gold het oude recht, waarin de gemeenschap pas werd ontbonden bij de inschrijving van de echtscheiding. Tegenover derden werkt de ontbinding pas na inschrijving in het huwelijksgoederenregister, en bij intrekking van het verzoek herleeft de gemeenschap.
Welke peildatum geldt voor de omvang en welke voor de waarde?
Er zijn twee peildata. De omvang en samenstelling van de gemeenschap, dus wat er te verdelen valt, worden dwingend bepaald op de datum van ontbinding; daarvan kan zelfs de redelijkheid en billijkheid niet doen afwijken (HR 20 december 2013). De waarde van de goederen wordt in beginsel bepaald op de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen een andere datum afspreken of de redelijkheid en billijkheid een andere datum meebrengen (HR 8 februari 2013). Tussen ontbinding en verdeling kan dus tijd zitten waarin de waarde nog verandert.
Wordt een huwelijksgemeenschap altijd bij helfte verdeeld?
In beginsel wel. De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat bij helfte wordt gedeeld (art. 1:100 BW). Afwijken van die gelijke verdeling kan alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich tegenover de ander op een verdeling bij helfte beroept (HR 20 september 2013). Die lat ligt hoog: een scheve inbreng of verwijtbaar gedrag is op zichzelf niet genoeg. De verdeling zelf gebeurt naar billijkheid met inachtneming van ieders aandeel (art. 3:185 BW).
Valt een ontslagvergoeding in de te verdelen gemeenschap?
Dat hangt af van de periode waarop de vergoeding ziet. Een ontslagvergoeding die dient ter vervanging van inkomen uit arbeid, is verknocht aan de betrokken echtgenoot voor zover zij ziet op de periode na de ontbinding van de gemeenschap; dat deel valt buiten de gemeenschap. Het deel dat ziet op de periode voor de ontbinding valt er wel in (HR 23 februari 2018, bevestigd in HR 29 september 2023). Het maakt daarbij niet uit in welke vorm de vergoeding is gegoten, als een bedrag ineens, in een stamrecht-bv of als verzekering; de strekking geeft de doorslag (HR 24 juni 2016).
Valt een letselschade-uitkering in de gemeenschap?
Een letselschadevergoeding kan verknocht zijn aan de gewonde echtgenoot en dan buiten de gemeenschap vallen, maar dat gaat niet vanzelf. Wie zich op verknochtheid beroept, moet ten minste stellen op welke schade de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechter kan beoordelen of zij aan die echtgenoot is verknocht (HR 3 november 2006 en HR 7 december 2012). Bovendien breekt vermenging het verknochte karakter op: een uitkering die op een gezamenlijke rekening met gemeenschapsgeld vermengt en niet meer te traceren is, kan haar bijzondere band met de gewonde echtgenoot verliezen.
Wat gebeurt er als een partner vermogen verzwijgt bij de verdeling?
Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot (art. 3:194 lid 2 BW). Vereist is daadwerkelijke wetenschap dat het goed tot de gemeenschap behoorde; onbewust vergeten valt er niet onder. De sanctie is streng: alsnog opgeven (inkeer) heft haar niet op (HR 31 maart 2017). Het is daarmee een krachtig middel tegen wie bij de verdeling met opzet vermogen achterhoudt.
Kan ik terugkomen op een verdeling die oneerlijk uitpakt?
Soms. Een verdeling is vernietigbaar wanneer u heeft gedwaald over de waarde van goederen of schulden en daardoor voor meer dan een kwart bent benadeeld (art. 3:196 BW); de benadeling wordt dan vermoed op dwaling te berusten. Die route is afgesloten als u de verdeling op eigen bate of schade heeft aanvaard, en de bevoegdheid vervalt drie jaar na de verdeling (art. 3:200 BW). Ontdekt u later dat vermogen bij de verdeling is verzwegen, dan geldt bovendien de verbeurdverklaring van art. 3:194 lid 2 BW, en kan het verzwegen goed alsnog worden verdeeld: de vordering tot verdeling verjaart niet (art. 3:178 BW). Tegenvallende marktontwikkelingen na een eerlijke verdeling zijn geen grond om terug te komen.
Wie is na de scheiding aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden?
Schuldeisers verliezen niets door de scheiding. Na de ontbinding blijft ieder van de echtgenoten hoofdelijk verbonden voor de gemeenschapsschulden die op zijn naam staan, en wordt hij daarnaast voor de helft aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden van de ander, met verhaal begrensd tot wat hij uit de verdeling heeft verkregen (art. 1:102 BW). Binnen de beperkte gemeenschap (huwelijken vanaf 2018) geldt bovendien dat verhaal voor een privéschuld op een gemeenschapsgoed beperkt is tot de helft van de opbrengst, met een overnamerecht voor de andere echtgenoot.
Mag een van beiden na de scheiding in de woning blijven wonen?
Ja, tijdelijk. De rechter kan bepalen dat de echtgenoot die bij de inschrijving van de echtscheiding in de woning woont, het gebruik daarvan gedurende zes maanden mag voortzetten, ook als de woning aan de ander toebehoort, tegen een redelijke gebruiksvergoeding (art. 1:165 BW). Die gebruiksvergoeding ontstaat pas door de beslissing van de rechter en gaat niet met terugwerkende kracht in (HR 4 maart 2016). De definitieve toedeling van de woning zelf, en de fiscale gevolgen daarvan, komen aan bod in deel 5 van deze reeks.