Na een scheiding lopen twee inkomensstromen door: het pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd en de partneralimentatie. Deze flowchart, deel 6 van de reeks Trouwen en scheiden, volgt beide in twee fasen, en het is het meest bewegende deel van de reeks. Fase 1 behandelt het pensioen: de standaardverevening van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding met de tweejaarsmelding, het afwijken en uitsluiten en de valkuil daarvan, de conversie en het bijzonder partnerpensioen, wat er buiten de verevening valt (AOW, lijfrente, ODV), en de afstorting van pensioen in eigen beheer bij de directeur-grootaandeelhouder. Fase 2 behandelt de partneralimentatie: de duur en de hoogte met de vijfjaarsgrens sinds 2020 en de Tremanormen, het einde bij samenleven als waren zij gehuwd, de fiscale kant met de aftrek en de toeslagen, het afzien van verevening als schenking, en de rechtspraak. In het paarse blok staat wat eraan komt: de Wet pensioenverdeling bij scheiding met conversie als standaard (beoogd 2028), de Wtp-transitie en de per 2027 vervallende overgangsregeling voor de alimentatieduur. Pensioenverevening staat los van het huwelijksgoederenregime en geldt dus zowel voor huwelijken van voor als vanaf 2018.
Achtergrond
Na een scheiding lopen twee inkomensstromen door die losstaan van de boedelverdeling: het pensioen en de partneralimentatie. Het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd, wordt standaard verevend, zodat de ex-partner recht heeft op de helft van dat deel (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, de Wvps, geldend sinds 1 mei 1995); voor scheidingen van daarvoor geldt nog de verrekening volgens Boon/Van Loon. De verevening staat los van het huwelijksgoederenregime en geldt dus zowel bij de algehele gemeenschap van voor 2018 als bij de beperkte gemeenschap vanaf 2018. Meld de scheiding binnen twee jaar bij de pensioenuitvoerder voor rechtstreekse uitbetaling; te laat melden laat het vereveningsrecht niet vervallen, maar wel het recht op rechtstreekse uitbetaling (art. 2 lid 6 Wvps). Een klassieke valkuil is dat koude uitsluiting in de huwelijkse voorwaarden de verevening niet uitsluit: daarvoor is een uitdrukkelijke uitsluiting van de Wvps nodig (art. 2 lid 1 Wvps; voor huwelijkse voorwaarden van vóór 1 mei 1995: art. 11 Wvps). Naast de verevening ontstaat een bijzonder partnerpensioen voor het overlijdensgeval, en bij een directeur-grootaandeelhouder met pensioen in eigen beheer speelt de afstortingsplicht, met het delen van een tekort bij onderdekking (postrelationele solidariteit).
Deze flowchart, deel 6 van de reeks Trouwen en scheiden (formeel: de reeks Huwelijksvermogensrecht), is het meest bewegende deel. Aan de alimentatiekant is de duur sinds 1 januari 2020 in beginsel beperkt tot de helft van de huwelijksduur met een maximum van vijf jaar, met uitzonderingen voor lange huwelijken nabij de AOW, huwelijken met jonge kinderen en een overgangsregeling voor wie op of voor 1 januari 1970 is geboren; die laatste vervalt per 1 januari 2027. De hoogte volgt uit behoefte en draagkracht, berekend via de Tremanormen, met een indexering van 4,6 procent in 2026. De alimentatie eindigt bij samenleven als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW), een begrip dat de Hoge Raad restrictief uitlegt. Fiscaal is betaalde partneralimentatie aftrekbaar tegen maximaal 37,56 procent (2026) en belast bij de ontvanger, met doorwerking naar toeslagen; kinderalimentatie is neutraal. Wie afziet van pensioenverevening zonder compensatie, doet mogelijk een schenking. En op komst is de Wet pensioenverdeling bij scheiding, die conversie tot standaard maakt (beoogd 2028), gekoppeld aan de Wtp-transitie. Deze pagina legt het stelsel en de rechtspraak uit, bevat bewust geen rekenhulp en is geen juridisch of fiscaal advies en geen mediation; een concrete berekening vraagt maatwerk van een advocaat, mediator of financieel adviseur.