Wie contributie betaalt aan een politieke partij, een gift doet aan een kerk of moskee, of een medicijn in de betaalomschrijving zet, laat zijn bank iets zien wat de wet extra beschermt. Volgens het Hof van Justitie vallen ook gegevens waaruit zo'n kenmerk door vergelijking of deductie kan worden afgeleid onder het verbod van artikel 9 AVG, en vergelijken en afleiden is precies wat transactiemonitoring doet. Bij sanctiescreening ontstaat hetzelfde langs een andere weg: naam, geboorteplaats en nationaliteit, in combinatie gebruikt om een naammatch te beoordelen, zijn volgens de Autoriteit Persoonsgegevens in die combinatie gegevens waaruit iemands afkomst blijkt. Weinig banken zijn daar transparant over. Van de 35 banken met een Nederlandse bankvergunning maken er elf in hun privacyverklaring duidelijk dat het poortwachterswerk bijzondere persoonsgegevens kan raken; geen enkele vraagt er toestemming voor, en terecht: toestemming is in een wettelijk verplichte monitoringrelatie mijns inziens niet vrij. De grondslag die voor de sector overblijft, is een constructie: de wettelijke plicht uit de Wwft, gekoppeld aan het zwaarwegend algemeen belang van artikel 9 lid 2 onder g, terwijl de Wwft zelf over bijzondere gegevens zwijgt. De regering erkende dat gat in 2022 en liet de reparatie in 2024 vallen; pas op 10 juli 2027 brengt artikel 76 AMLR een uitdrukkelijke grondslag met wettelijke waarborgen. Maar rechtvaardigt dat zwaarwegend algemeen belang de verwerking nog wanneer het bijzondere gegeven is verwerkt en de uitkomst een false positive is, zoals naar alle beschikbare cijfers bij het overgrote deel van de alerts? Deze flowchart laat in een voorvraag en zeven stappen zien hoe grondslag, false positives en waarborgen zich tot elkaar verhouden, welk signaal de bank wel en niet mag gebruiken en wat er in het dossier hoort, uitgewerkt in vier praktijkcasussen: de religieuze instelling in negatieve berichtgeving, de politieke partij en de rechts-terroristische dreiging, de onlinemedicijnen, en de sanctiehit op naam en nationaliteit.
| Casus | Waar het signaal ligt | Welk bijzonder gegeven | De vraag |
|---|---|---|---|
| 1. Donaties aan een religieuze instelling die in negatieve berichtgeving komt | Bij de tegenpartij (de instelling) en de berichtgeving | Religieuze overtuiging van de donateur | Mag de bank de gever onderzoeken, en wat legt zij over hem vast? |
| 2. Contributie aan een politieke partij met afwijkende standpunten, en de rechts-terroristische dreiging | Bij de tegenpartij, tenzij alleen de opvatting van de klant het signaal is | Politieke opvatting | Waar eindigt legale politiek en begint terrorismefinanciering, en wie mag dat onderscheid maken? |
| 3. Betaling aan een onlineaanbieder van medicijnen zonder vergunning, medicatie in de omschrijving | Bij de tegenpartij (onvergunde handel) en de omschrijving | Gezondheid | Wat mag de bank van de medicatie weten en bewaren? |
| 4. Een sanctiehit op een naam die lijkt op een naam op de lijst, met de nationaliteit als bevestiging of ontkrachting | Bij de lijst; niet bij de naam of afkomst van de klant | Etnische afkomst, afgeleid uit naam, geboorteplaats en nationaliteit | Welke velden mag de bank gebruiken, en mag afkomst een transactie naar een hoogrisicoland verklaren? |
| Waarborg | Wat de instelling inricht | Waar het aantoonbaar wordt |
|---|---|---|
| b. Betrouwbare bronnen, nauwkeurig en actueel | Een bronnenregister per gegevenstype: welke bron mag een bijzonder of strafrechtelijk gegeven leveren (sanctielijst, PEP-lijst, ambtsbericht via het OM, rechterlijke uitspraak, eigen klantverklaring, media) en met welke rang. Voor berichtgeving een vaste bronbeoordeling volgens de EBA-maatstaf: kwaliteit en onafhankelijkheid van de bron en de bestendigheid van de berichtgeving (EBA/GL/2021/02, richtsnoer 2), en het onderscheid beschuldiging, onderzoek, procedure, veroordeling (lid 3). Een actualiteitstermijn per bron (lijsten bij elke publicatie, mediagegevens met een houdbaarheidsdatum en een herbeoordeling bij het volgende contactmoment) en een correctieroute als de klant de juistheid betwist (art. 16 AVG). Afgeleide gegevens (uit betaalgedrag) tellen niet als bron, want zij zijn geen vaststelling maar een vermoeden; zij mogen alleen aanleiding zijn voor een vraag aan de klant. | Bronnenregister als bijlage bij de DPIA; per dossier het veld bron van de controlevraag (stap 7); een jaarlijkse toets door de tweede lijn op verlopen mediagegevens |
| c. Geen bevooroordeelde en discriminerende uitkomsten | Vooraf: een noodzaaktoets per scenariovariabele en een proxytoets (selecteert de variabele feitelijk op afkomst, overtuiging, gezondheid?), vastgelegd in de modeldocumentatie voordat het scenario live gaat. Tijdens: fairnessmetingen zoals de NVB die beschrijft (alert volume parity, false positive rate parity) op basis van de dossiervlag uit stap 7, dus zonder groepskenmerken van klanten te verzamelen, met een drempel waarboven het scenario wordt herzien. Bij het besluit: de regel van lid 2 onder c en overweging 152 hard in het systeem, zodat een bijzonder gegeven wel in de alert kan staan maar niet als enige reden voor op- of afschaling of een relatiebesluit kan worden gekozen, en naar mijn oordeel evenmin als mede-dragende reden zonder gemotiveerde relevantie voor het witwasrisico; en objectieve controlecriteria voor de beoordelaar (Ligue des droits humains, punt 206). Achteraf: klachten en CRM-signalen als terugkoppeling in de modelcyclus, en een periodieke hervalidatie waarin de discriminatietoets van de Staatscommissie of een gelijkwaardig kader wordt doorlopen. | Modeldocumentatie en DPIA (stap 5); fairnessrapportage per scenario; besluitregel en beoordelaarsinstructie in het systeem (stap 6); hervalidatieverslag |
| d. Hoog beveiligingsniveau | Bijzondere en strafrechtelijke gegevens in een afgeschermd deel van het dossier met eigen autorisatie (need-to-know per rol: analist, onderzoeker, compliance, audit), logging van elke raadpleging, pseudonimisering in rapportages en modeltraining, versleuteling in rust en transport, en een verwijderroutine die aan art. 77 AMLR is gekoppeld (vijf jaar na einde relatie of transactie, verwijzing in plaats van kopie). Geen export naar commerciële of marketingsystemen (art. 76 lid 4) en geen opname van bijzondere gegevens in vrije tekstvelden buiten het afgeschermde deel. | Autorisatiematrix en logging (art. 32 AVG); verwerkingsregister (art. 30); de verwijderdatum als veld 6 van de controlevraag; periodieke toegangscontrole door de tweede lijn |
| Lid 5: menselijke tussenkomst | Geen automatisch relatiebesluit, geen automatische weigering van een transactie en geen automatische op- of afschaling (lid 5 onder b); geen melding zonder de beoordeling van art. 69 lid 2; automatisch sluiten van alerts alleen na een in de DPIA gemotiveerde keuze, met steekproef door de tweede lijn en nooit wanneer het bijzondere gegeven in de sluitingsgrond zit. De beoordelaar ziet welke variabelen de alert droegen en welke velden een sanctiematch bevestigen of ontkrachten, en legt zijn oordeel vast met de controlevraag. | Werkinstructie en systeeminrichting (stap 6); uitlegbaarheid per alert in het dossier; steekproefverslagen |
| Jaar | Ongebruikelijke transacties gemeld aan FIU | Verdacht verklaard | Aandeel |
|---|---|---|---|
| 2023 | 2.334.167 | 180.578 | 7,7 procent |
| 2024 | 3.484.373 (banken: 534.103) | 118.408 in 16.306 dossiers | 3,4 procent |
| 2025 | ruim 3 miljoen | 92.000 | circa 3 procent |
| Veld | Keuze | Waarom |
|---|---|---|
| 1. Bevat dit dossier bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens? | nee / ja, categorie: religie, politiek, gezondheid, afkomst, vakbond, seksueel gedrag, strafrechtelijk | Stap 1: de kwalificatie wordt bewust gemaakt, niet stilzwijgend |
| 2. Uit welke bron? | betaalgedrag / tegenpartij / sanctielijst en identificatievelden / berichtgeving of ambtsbericht / klantverklaring | Stap 2: het onderscheid tussen tegenpartijsignaal en klantkenmerk wordt zichtbaar |
| 3. Droeg het gegeven de beoordeling, of was het bijvangst? | dragend / bijvangst (dan: niet vastgelegd) | Stap 3: strikt noodzakelijk |
| 4. Op welke verplichting rust de verwerking? | art. 3 of 8 Wwft / Sanctiewet en Regeling toezicht Sanctiewet 1977 (RtSw) / EU-verordening (nummer) / art. 16 Wwft melding | Stap 4: de grondslag per dossier in plaats van in het algemeen |
| 5. Welk besluit is erop gevolgd, en door wie? | alert gesloten / op- of afgeschaald / gemeld / relatiebesluit; naam beoordelaar | Stap 6: menselijke tussenkomst aantoonbaar |
| 6. Wanneer wordt het gegeven verwijderd? | datum, gekoppeld aan einde relatie of transactie plus vijf jaar | Art. 77 AMLR: verwijderplicht |
| Stap | Uitkomst voor deze casus |
|---|---|
| Voorvraag: wettelijk kader | Wwft-spoor: verscherpt cliëntenonderzoek (art. 8 Wwft) op de geldstroom naar de instelling. Het sanctiespoor komt er alleen bij als de instelling of de organisatie erachter op een lijst staat. |
| 1. Kwalificatie | De gift is een gegeven waaruit de religieuze overtuiging van de gever blijkt (OT, Lindenapotheke). Elke verdere stap is een art. 9-verwerking. |
| 2. Bron van het signaal | Toegestaan als het signaal de berichtgeving over de instelling en de geldstroom is; verboden als het scenario "giften aan religieuze instellingen" heet. De bank moet kunnen laten zien welke van de twee het was. |
| 3. Noodzaak | Dragend: de berichtgeving over de instelling (beschuldiging, onderzoek of veroordeling?), de omvang en frequentie van de giften, de bestemming van het geld. Bijvangst: de religieuze aard van de instelling en de overtuiging van de gever; die worden niet vastgelegd en niet gewogen. |
| 4. Grondslag | Art. 6 lid 1 onder c met 9 lid 2 onder g AVG via art. 43 AMLD4 en de Wwft; vanaf 10 juli 2027 art. 76 lid 1 en 2 AMLR. Voor zover de berichtgeving natuurlijke personen raakt (bestuurders van de instelling, of de gever zelf), is zij een "beschuldiging" in de zin van art. 76 lid 3 onder b; de EBA eist beoordeling van "the credibility of allegations on the basis of the quality and independence of the source". |
| 5. Evenredigheid en DPIA | Een scenario op giften aan not-for-profitorganisaties in negatieve berichtgeving treft vrijwel alleen gewone gevers; de DPIA legt de verwachte hitratio en de menselijke beoordeling per alert vast. De NVB-sectorstandaard not-for-profit noemt geld ophalen bij de eigen leden juist een risicoverlagende factor. |
| 6. Besluit | Onderzoek naar de instelling en de geldstroom mag; een vraag aan de gever naar zijn geloof niet; opzegging wegens giften aan een instelling waarover alleen beschuldigingen bestaan, is een relatiebesluit dat uitsluitend op het bijzondere gegeven rust (overweging 152 AMLR; art. 9 AVG). Bij een concrete aanwijzing van terrorismefinanciering: melden aan de FIU (art. 16 Wwft) en het oordeel daar laten. |
| 7. Transparantie en dossier | Controlevraag: "religie, bron: tegenpartij en berichtgeving, bijvangst, niet vastgelegd". In het dossier de geldstroom en de beoordeling van de instelling, niet de gevolgtrekking "klant is gelovig". Inzage in het dossier wel, in de meldbeoordeling niet. |
| Stap | Uitkomst voor deze casus |
|---|---|
| Voorvraag: wettelijk kader | Wwft-spoor (monitoring op terrorismefinanciering). Het sanctiespoor komt er pas bij als de tegenpartij gelist is: The Base staat bij besluit van 18 januari 2024 op de Nationale sanctielijst terrorisme en sinds 26 juli 2024 als eerste rechts-terroristische organisatie op de EU-lijst; een Nederlandse rechts-extremistische organisatie op een lijst is er niet. |
| 1. Kwalificatie | Contributie, gift en aankoop zijn elk een gegeven waaruit de politieke opvatting blijkt; art. 9. Dat geldt ook voor de gift aan de niet-gelistete stichting en de bestelling bij de webwinkel. |
| 2. Bron van het signaal | Toegestaan: een gelistete tegenpartij, of een geldstroom die een terrorismefinancieringstypologie volgt (aankoop van wapens of wapenonderdelen, geldstromen rond een aanslagvoorbereiding, crowdfunding voor een gelistete of veroordeelde persoon). Dat kanaal is smal: FATF stelt over aanslagen door eenlingen vast dat de kosten laag zijn en "do not differ from normal transactions, there are often few or no red flags in the financial system" (p. 8), en over groepen dat sommige "are not considered illegal and as such financial transactions associated with them or their members are not monitored" (paragraaf Movement of funds). Verboden: de opvatting van de klant als signaal. Dit is het grijze gebied: de AIVD beschrijft "een beweging van soms moeilijk in te schatten eenlingen" die online radicaliseren, en de NCTV "een los georganiseerd netwerk", zodat aanhangers vaak alleen via hun politieke voorkeur herkenbaar zijn. Precies dat kanaal is voor de bank gesloten. |
| 3. Noodzaak | De politieke opvatting draagt wat mij betreft de beoordeling nooit, ook niet bij een partij met afwijkende standpunten. Dragend kan alleen de listing of de typologie zijn. Bij een legale partij zonder tegenpartij- of geldstroomsignaal is er niets te onderzoeken; de bank die het toch doet, verwerkt een art. 9-gegeven zonder noodzaak. |
| 4. Grondslag | De Wwft-constructie, straks art. 76 AMLR. Een AIVD-ambtsbericht via het OM, een strafzaak of een krantenbericht over de klant zelf is een strafrechtelijk gegeven (art. 10 AVG via de Wwft-constructie; art. 76 lid 3 AMLR: beschuldiging, onderzoek, procedure of veroordeling uit elkaar houden). De uitzondering "kennelijk openbaar gemaakt" geldt niet voor wat een journalist of de overheid over de klant schrijft. |
| 5. Evenredigheid en DPIA | Het hoogste false-positiverisico van de vier casussen: het rechts-terroristische online milieu telt volgens de NCTV "naar schatting enkele honderden Nederlanders", merendeels minderjarigen en jongvolwassenen; de partij uit deze casus tienduizenden leden. Een scenario dat op politiek gevoelige tegenpartijen selecteert, faalt de evenredigheidstoets al bij stap 2; de DPIA moet dat vastleggen en de detectie richten op de vier kanalen die wel mogen (gelistete tegenpartij, typologie in de geldstroom, negatieve berichtgeving over de klant als strafrechtelijk gegeven, verzoek van een bevoegde autoriteit). |
| 6. Besluit | Legale partij: naar mijn oordeel geen alert, geen vraag, geen besluit. De regering zegt het voorzichtiger: "Alleen het hebben van een controversieel gedachtegoed is uiteraard onvoldoende reden om een rekening te sluiten", maar een bank "kan wel besluiten tot een nader cliëntenonderzoek als uitingsvormen van klanten binnen de risicokaders van de Nationale Coördinator Terrorisme en Veiligheid vallen" (Aanhangsel Handelingen II 2020/21, nr. 4063, antwoord 3). Dat nadere onderzoek verwerkt dan een art. 9-gegeven en moet zelf de noodzaakstoets van stap 3 doorstaan; de opvatting alleen draagt het niet. Gelistete tegenpartij: bevriezen en melden. Typologie in de geldstroom: melden aan de FIU en het oordeel daar laten; het relatiebesluit rust op de eigen feiten, niet op de opvatting. De Wet op de politieke partijen (36 742, ingediend 12 mei 2025) is in behandeling; het voorstel bevat een verbodsprocedure, maar zolang de rechter geen partij heeft verboden, is contributie aan een toegelaten partij legaal betaalgedrag. |
| 7. Transparantie en dossier | Controlevraag: "politieke opvatting, bron: betaalgedrag, bijvangst". Bij een gelistete tegenpartij: "bron: sanctielijst, dragend, grondslag Verordening (EG) 2580/2001 (EU-lijst) en de nationale aanwijzing (Sanctieregeling terrorisme 2007-II), gemeld aan DNB (art. 3 Regeling toezicht Sanctiewet 1977) en bij vermoeden van terrorismefinanciering als ongebruikelijke transactie aan de FIU (art. 16 Wwft; DNB-leidraad par. 1.6)". Een ambtsbericht wordt als strafrechtelijk gegeven geregistreerd met bron en datum, niet als "klant is extremist". |
| Stap | Uitkomst voor deze casus |
|---|---|
| Voorvraag: wettelijk kader | Wwft-spoor: monitoring op een basisdelict (handel in geneesmiddelen zonder vergunning: art. 18 lid 1, 40 lid 2, 61 lid 1 en 67a lid 1 Geneesmiddelenwet, bij opzet een misdrijf via art. 1 onder 1° en art. 2 lid 1 Wet op de economische delicten) en witwassen van de opbrengst (art. 420bis Sr). Geen sanctiespoor. |
| 1. Kwalificatie | Twee categorieën tegelijk. De medicijnnaam in de omschrijving is een gezondheidsgegeven over de klant, ongeacht of het middel voor hemzelf of voor een ander is en of de afleiding klopt (Lindenapotheke, punt 83, 87, 88 en 90): art. 9. Het vermoeden dat de aanbieder zonder vergunning handelt, is een strafrechtelijk gegeven over die aanbieder (art. 10 AVG) zodra het dossier concrete feiten bevat die een bewezenverklaring kunnen dragen (hier: de verkoop van receptgeneesmiddelen zonder vergunning, art. 18 lid 1 Geneesmiddelenwet); een enkele risico-inschatting is dat niet (Hof Amsterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1261, r.o. 5.12, met de maatstaf van HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720; cassatie aanhangig). Over de klant zelf is het alleen een strafrechtelijk gegeven als hij van wederverkoop wordt verdacht. |
| 2. Bron van het signaal | Toegestaan: het signaal ligt bij de tegenpartij (onvergunde aanbieder) en bij de geldstroom naar die aanbieder. Verboden zou naar mijn oordeel zijn: een scenario dat betalingen selecteert op medicijnnamen of op klanten met een bepaalde aandoening. |
| 3. Noodzaak | Dragend: de onvergunde aanbieder, het patroon, de omvang en het feit dát het om een receptgeneesmiddel gaat, want art. 61 lid 1 Geneesmiddelenwet verbiedt eenieder behalve apothekers de verkoop daarvan. Bijvangst: welk middel is besteld en wat dat over de gezondheid van de klant zegt; dat wordt niet in de alert, het onderzoeksdossier of de melding overgenomen. De betaalopdracht zelf blijft als transactiegegeven bewaard; de beoordeling verwijst ernaar in plaats van de omschrijving te kopiëren (art. 77 lid 2 AMLR). Naar mijn mening draagt de productcategorie dus, niet het concrete middel of de aandoening die eruit is af te leiden; bij verdovende middelen (Opiumwet) geldt hetzelfde onderscheid. |
| 4. Grondslag | Voor het gezondheidsgegeven: de Wwft-constructie, straks art. 76 lid 1 en 2 AMLR. Art. 30 UAVG heft het verbod voor gezondheidsgegevens op voor bestuursorganen, pensioenfondsen, werkgevers, scholen, reclassering, zorgverleners en verzekeraars, niet voor banken. Art. 23 UAVG helpt evenmin: onderdeel c staat bijzondere gegevens alleen toe "in aanvulling op" rechtmatig verwerkte strafrechtelijke gegevens en voor hetzelfde doel, en juist de medicatie is voor dat doel niet nodig. De bank rust dus volledig op art. 9 lid 2 onder g zonder wettelijke waarborgen, en na 10 juli 2027 op art. 76. Voor het strafrechtelijke gegeven over de aanbieder: de grondslag uit stap 4 en straks art. 76 lid 3 AMLR, met het onderscheid tussen beschuldiging, onderzoek, procedure en veroordeling; de aanbieder staat op een lijst, hij is niet veroordeeld. |
| 5. Evenredigheid en DPIA | Scenario's op onvergunde aanbieders zijn relatief precies omdat de tegenpartij het criterium is. De DPIA legt vast dat het scenario selecteert op de tegenpartij (rekening en naam op de lijst van onvergunde aanbieders) en niet op de betaalomschrijving, en dat de medicijnnaam niet in de alert, het onderzoeksdossier of de melding wordt overgenomen. |
| 6. Besluit | De klant is koper, mogelijk slachtoffer. Het besluit richt zich op de aanbieder en de geldstroom: melding van de ongebruikelijke transactie aan de FIU (art. 16 Wwft), verscherpt onderzoek naar de geldstroom, en weigering van verdere betalingen alleen voor zover de bankvoorwaarden of de wet dat toelaten (art. 7:533 lid 4 BW) en, vanaf 10 juli 2027, met beduidende menselijke tussenkomst (art. 76 lid 5 onder b AMLR); niet op de klant en niet op zijn medicatie. Een vraag aan de klant gaat over de aanbieder en de betaling, niet over zijn gezondheid. |
| 7. Transparantie en dossier | Controlevraag: "gezondheid, bron: betaalomschrijving, bijvangst, niet vastgelegd". De aanbieder, het patroon en een verwijzing naar de transacties in het dossier, de medicijnnaam niet; bij inzage ziet de klant wat over de betaling is vastgelegd, niet de meldbeoordeling (art. 23 lid 1 en 3 Wwft; art. 41 lid 1 onder d UAVG). |
| Stap | Uitkomst voor deze casus |
|---|---|
| Voorvraag: wettelijk kader | Sanctiewet-spoor voor de hit (art. 10b Sanctiewet 1977; art. 2 en 3 Regeling toezicht Sanctiewet 1977 (RtSw)); niet risicogebaseerd, geen art. 76-waarborgen uit de wet. De spiegelzijde (afkomst als verklaring) is een Wwft-vraag in het verscherpt onderzoek. |
| 1. Kwalificatie | Nationaliteit als los veld is geen art. 9-gegeven (AP 2020, par. 3.3.2; over geboorteland in dezelfde zin Jyske Finans, punt 20 en 21). De combinatie van naam, geboorteplaats en nationaliteit om de match te beoordelen wel (AP, par. 3.3.1), en volgens de contextregel van de AP ook de naamscreening zelf zodra voorzienbaar is dat zij vooral personen van niet-Nederlandse herkomst treft: de personen op de lijsten hebben "per definitie voor het overgrote deel" een niet-Nederlands klinkende naam (CRM 2024-62, ov. 4.12; 2024-63, ov. 6.10). |
| 2. Bron van het signaal | De lijst is het signaal; dat is toegestaan en verplicht. Nationaliteit en geboorteplaats mogen de match bevestigen of ontkrachten (Wolfsberg: "to assist in distinguishing a true match from a false positive", nationaliteit "where legally permissible"), maar mogen niet zelf de selectie zijn, tenzij een EU-verordening nationaliteit als criterium stelt (art. 5 ter Verordening 833/2014; CRM 2022-142). Een screening op Iraanse plaatsnamen is indirect onderscheid naar nationaliteit dat zonder wettelijke uitzondering per geval evenredig moet zijn (CRM 2024-100: de screening zelf geschikt en subsidiair, de tweede uitvraag disproportioneel). Het land van de tegenpartij mag evenmin het categorische criterium zijn: het beleid van de Volksbank om betalingen van opdrachtgevers met een Russisch woonadres in beginsel te weigeren, was indirect onderscheid naar nationaliteit zonder wettelijke uitzondering en "strenger [...] dan dat wat op basis van sanctiewet- en regelgeving nodig is" (CRM 2025-125, ov. 4.8, 4.11 en 4.19). |
| 3. Noodzaak | Nationaliteit en geboorteplaats dragen de beoordeling van de match; daarna is de afgeleide afkomst bijvangst: de identificatievelden blijven als matchbeoordeling in de alert, een afgeleide herkomst niet. In het tweede dossier is de afkomst naar mijn mening nooit dragend: de verklaring van de overboeking hoort uit het verwachte transactieprofiel of de klantverklaring te komen, niet uit deductie. |
| 4. Grondslag | Sanctiewet en RtSw plus de EU-verordening voor de screening (art. 6 lid 1 onder c AVG); de sanctieregels als wettelijke uitzondering moet de bank zelf aanvoeren (in CRM 2024-62 en 2024-63 was die "gesteld noch gebleken", ov. 4.13 en 6.11), en art. 2 lid 5 onder a AWGB dekt alleen onderscheid naar nationaliteit, niet naar ras; voor de afgeleide afkomst art. 9 lid 2 onder g zonder wettelijke waarborgen. Amerikaanse sancties zijn geen wettelijke verplichting in de EU (C-81/24: een OFAC-vermelding rechtvaardigt geen automatische weigering; CRM 2024-100: uit de aangehaalde regels volgt niet "dat banken in het geheel geen transacties met Iran mogen doen"); voor de Amerikaanse Iran-sancties verbiedt art. 5 van Verordening (EG) 2271/96 (het blocking statute, bijlage sinds 7 augustus 2018 met onder meer de Iran Sanctions Act 1996 en de Iran Freedom and Counter-Proliferation Act 2012) EU-personen zelfs om er gevolg aan te geven. Dat verbod geldt volgens het Hof van Justitie "ook al hebben de bestuurlijke of rechterlijke autoriteiten van derde landen die deze wetten hebben vastgesteld [...] geen instructies gegeven" (HvJ EU 21 december 2021, C-124/20, Bank Melli Iran, ECLI:EU:C:2021:1035, punt 51 en dictum 1); een bank mag een overeenkomst met een persoon op de SDN-lijst opzeggen zonder die opzegging te motiveren, maar wijst het bewijs in een civiele procedure "op het eerste gezicht" op naleving van de bijlagewetten, dan moet zij "rechtens genoegzaam" aantonen dat haar gedrag "niet de bedoeling had om gevolg te geven aan die wetten" (punt 67 en 68, dictum 2). Het blocking statute dekt alleen de wetten in de bijlage: toen de Volksbank in 2024 een basisbankrekening weigerde aan een aanvrager die wegens drugshandel op de OFAC-lijst stond (Executive Order 14059, niet in de bijlage), liet de voorzieningenrechter meewegen dat de bank "onweersproken" had gesteld "dat zij op grond van haar beleid geen transacties faciliteert met personen die op deze OFAC-lijst staan, mede vanwege het risico dat zij daarbij Amerikaanse sanctieregelgeving raakt" (Rb. Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18548, r.o. 4.12; kort geding, anderhalf jaar vóór C-81/24), en voor zo'n categorisch beleid zonder geïndividualiseerde beoordeling is naar mijn oordeel na C-81/24 geen plaats meer. |
| 5. Evenredigheid en DPIA | De kalibratie van de fuzzy matching bepaalt de false-positiveratio en wie wordt getroffen (EBA GL/2024/15, par. 24). De bank moet naar mijn oordeel de attributenset en de kalibratie documenteren en het effect per naamgroep meten, want daarop wordt zij afgerekend: het College achtte de naamscreening van ING in 2024 op zichzelf geschikt en zag geen werkbaar alternatief, maar oordeelde dat ING de evenredigheid niet had aangetoond bij "a large number of unjustified blockings", overwegend bij klanten van niet-Nederlandse herkomst, zonder uitleg en met trage vrijgave (CRM 2024-63, ov. 6.17, 6.21 en 6.22), en dat er "geen data beschikbaar" waren "waaruit blijkt hoeveel blokkeringen van transacties terecht waren" (CRM 2024-62, ov. 4.18). In het parallelle oordeel faalde ING alleen "in de gegeven omstandigheden", omdat zij gegevens uitvroeg die zij al had (2024-62, ov. 4.20 en 4.21). De regering erkent dat de naamscreening hits oplevert waarvan het vermoeden bij nader onderzoek "ongegrond blijkt", en stelt als norm dat instellingen "niet meer doen dan de sanctiewet eist" (antwoord 19 en 41). De instantbetaling markeert de grens van die evenredigheidstoets: bij een betaling die binnen tien seconden moet worden verwerkt (Verordening (EU) 2024/886) achtte het College in 2026 één uitvraag na een gedeeltelijke naamovereenkomst met de OFAC-lijst "Onder deze omstandigheden" proportioneel, ook al is er "nog altijd geen (concrete) informatie beschikbaar" over de effectiviteit van de screening en zijn de nadelige gevolgen "vanwege de discriminerende effecten groot" (CRM 2026-78, ING, ov. 6.21, 6.22, 6.32 en 6.33); de aanbeveling om de screening "onderbouwd en gedocumenteerd" risicogebaseerd in te vullen en controles en blokkades bij onterechte meldingen te beperken, "ook bij een 'instant payment'" (ov. 9.1 tot en met 9.3), is mijns inziens de norm waaraan de kalibratie wordt gemeten. |
| 6. Besluit | Bevriezen op grond van de EU-verordening en onverwijld melden aan DNB zodra de identiteit overeenkomt (art. 2 lid 2 en art. 3 RtSw; DNB par. 1.2: alleen daadwerkelijke hits); bij een false positive de betaling vrijgeven en de alert sluiten zonder de klant als verhoogd risico te registreren en zonder eenmaal verstrekte identificatiegegevens opnieuw uit te vragen (CRM 2024-62, ov. 4.20). Nooit een weigering of opzegging op de enkele naamovereenkomst of een buitenlandse lijst; wel verscherpt onderzoek "na een geïndividualiseerde beoordeling" (C-81/24, punt 51). |
| 7. Transparantie en dossier | Controlevraag: "afkomst, bron: sanctielijst en identificatievelden, dragend voor de matchbeoordeling, grondslag RtSw"; vastleggen welk veld de match ontkrachtte. In het tweede dossier: de klantverklaring of het transactieprofiel als verklaring, niet het geboorteland. De klant hoort te horen dat de vertraging een lijstcontrole was: het College eist "ten minste een duidelijke en begrijpelijke uitleg [...] voor de extra controles" (CRM 2024-62, ov. 5.5) en rekende ING het uitblijven van persoonlijke uitleg en de trage vrijgave aan (2024-63, ov. 6.22); geen enkele bank legt dat vandaag in haar privacyverklaring uit. |
| Transactiemonitoring | Verdiepend cliëntenonderzoek | Sanctiescreening | |
|---|---|---|---|
| Wettelijke bron | Art. 3 lid 2 onder d Wwft; vanaf 10 juli 2027 art. 26 AMLR | Art. 8 Wwft; vanaf 10 juli 2027 art. 34 AMLR | Art. 10 en 10b Sanctiewet 1977, art. 2 en 3 Regeling toezicht Sanctiewet 1977 (RtSw), EU-verordeningen; de sanctiecheck in het cliëntenonderzoek: art. 20 lid 1 onder d AMLR |
| Risicogebaseerd | Ja: scenario's en drempels per risicoprofiel | Ja: alleen bij hoger risico, met een reikwijdte die het risico draagt | Nee: "kan niet risicogebaseerd worden ingevuld" (DNB par. 1.1); alle relaties en transacties |
| Waar het bijzondere gegeven vandaan komt | Betaalgedrag: begunstigde, omschrijving, sector van de tegenpartij | Betaalgedrag, aangeleverde documenten, berichtgeving, klantverklaring | De lijst en de identificatievelden: naam, geboortedatum en -plaats, nationaliteit |
| Welk gegeven | Religie, politiek, gezondheid, vakbond, seksueel gedrag | Dezelfde, plus strafrechtelijke gegevens uit berichtgeving en ambtsberichten | Etnische afkomst, afgeleid uit de combinatie van velden; politieke opvatting, afgeleid uit een partijpolitieke functie op een PEP-lijst |
| Grondslag bijzondere gegevens nu | Art. 9 lid 2 onder g via art. 43 AMLD4 en de Wwft; wettelijke waarborgen ontbreken (36 228 geschrapt; AP 2020) | Art. 9 lid 2 onder g via de Sanctiewet; nog minder wettelijke waarborgen; bij landgebonden maatregelen de verordening zelf (en voor het onderscheid naar nationaliteit art. 2 lid 5 onder a AWGB) | |
| Vanaf 10 juli 2027 | Art. 76 AMLR met de vier waarborgen van lid 2; art. 77 voor bewaren en verwijderen | Art. 76 AMLR geldt niet voor de zelfstandige screening. Het wetsvoorstel Wet internationale sanctiemaatregelen (36 898, ingediend 17 februari 2026, op de peildatum in behandeling bij de Tweede Kamer) laat de screeningsplicht van afdeling 5 Sanctiewet 1977 in stand, reserveert het hoofdstuk over de bedrijfsprocessen van instellingen en regelt bijzondere persoonsgegevens alleen voor bestuursorganen en toezichthouders (art. 8.3.2); een waarborg als art. 76 voor instellingen staat er niet in. | |
| Wat de waarborg in de wet zegt | Overweging 152 AMLR: geen besluit dat uitsluitend rust op bijzondere gegevens die voor het witwasrisico niet relevant zijn, en geen op- of afschaling die uitsluitend op zulke gegevens berust; art. 76 lid 5 onder b: beduidende menselijke tussenkomst | Art. 3 RtSw: onverwijld melden zodra de identiteit van een relatie overeenkomt, en volgens DNB (par. 1.2) "alleen daadwerkelijke hits"; EBA/GL/2024/15 par. 24: kalibratie "neither too sensitive, causing a high number of false positive matches, nor insufficiently sensitive" | |
| Wie de grens heeft getrokken | AP (2020, 2023); Rb. Den Haag 2024; Kifid 2025; DNB-rapporten 2024 en 2025 | CBb 2022 (bunq/DNB); Kifid 2024-0305 en 2025-0102; CRM 2020-48 | College voor de Rechten van de Mens (vijftien oordelen in twaalf zaken, 2016 tot 2026, waarvan acht over nationaliteit of lijstscreening: 2022-141 tot en met 143, 2024-62, 2024-63, 2024-100, 2025-125 en 2026-78); HvJ EU C-81/24 (2026); voor de spiegelzijde de AP-boete voor de Belastingdienst (2021) over nationaliteit als risico-indicator |
| Bewijslast bank | Scenario per scenario: noodzaak van de variabele, hitratio, menselijke beoordeling, fairnessmeting | Per dossier: draagt het gegeven de beoordeling, is de uitvraag passend bij de vraag | Attributenset, kalibratie, effect per naamgroep, afhandeling van false positives, uitleg aan de klant en geen herhaalde uitvraag van al verstrekte gegevens (CRM 2024-62 en 2024-63) |
| Oordeel | Bank en feiten | Uitkomst |
|---|---|---|
| 2016-3 (14 januari 2016) | ABN AMRO: tariefsverhoging van 5,50 naar 105 euro per maand omdat de holding van een klant "mede vanwege zijn Spaanse nationaliteit" als bedrijf met een complexe structuur en "zakelijk niet ingezetene" was aangemerkt; de bank noemde het een vergissing | Verboden onderscheid op grond van nationaliteit, bij de tariefsverhoging en bij de klachtbehandeling |
| 2020-48 (22 juni 2020) | bunq: weigering van een zakelijke rekening aan een vof voor islamitische kennisoverdracht op grond van het acceptatiebeleid ("geen zakelijke bankrekeningen aan religieuze organisaties") | Direct onderscheid op grond van godsdienst, geen wettelijke uitzondering: verboden onderscheid |
| 2022-141, 142 en 143 (6 december 2022) | ING: beperkingen voor Russische klanten na de invasie, "rechtstreeks voortvloeiend uit artikel 5b van EU-verordening 2022/328"; een in Oezbekistan geboren Nederlander ten onrechte als Russisch geregistreerd | 142 en 143: direct onderscheid naar nationaliteit, gerechtvaardigd door art. 2 lid 5 onder a AWGB; 141: geen onderscheid, de foutregistratie was "een administratieve fout" die ING na de melding herstelde; in geen van de drie verboden onderscheid |
| 2023-29 (28 februari 2023) | Citibank Europe (bijkantoor): screening op trefwoorden "die alle op enige wijze verband houden met Syrië, waaronder Syrische plaatsnamen" trof een cateringbedrijf met een Syrische plaatsnaam | Screening objectief gerechtvaardigd; klachtbehandeling niet |
| 2023-118 (15 november 2023) | ABN AMRO: uitvraag over de hoogste terugkerende bijschrijvingen op een privérekening, afkomstig van personen met een niet-Nederlandse achternaam; de bank stelde dat haar systeem "geen methodieken die discriminerende factoren bevatten" kent en dat zij "niet monitort op naamgeving of nationaliteit van klanten" (par. 5, ov. 6.11) | Geen verboden onderscheid: de selectie berustte op het totaalbedrag over twaalf maanden, de herkomst van de betalers "in zoverre op toeval"; de gestelde feiten konden geen onderscheid doen vermoeden |
| 2024-62 en 2024-63 (25 juli 2024) | ING: blokkades door gedeeltelijke naamovereenkomst met sanctielijsten; de personen op de lijsten hebben "per definitie voor het overgrote deel" een niet-Nederlands klinkende naam (2024-62, ov. 4.12); de screening is in het algemeen aannemelijk geschikt (ov. 4.20) en zonder werkbaar alternatief (2024-63, ov. 6.21), maar ING vroeg gegevens opnieuw uit die zij al had (2024-62, ov. 4.20 en 4.21) en toonde de evenredigheid niet aan bij "a large number of unjustified blockings", overwegend bij klanten van niet-Nederlandse herkomst, zonder uitleg en met trage vrijgave (2024-63, ov. 6.22) | Indirect onderscheid op grond van ras, niet objectief gerechtvaardigd: verboden onderscheid; ook de klachtbehandeling was in 2024-62 verboden onderscheid (ov. 5.7) |
| 2024-100 (5 december 2024) | ING: screening op Iraanse plaatsnamen, tweede uitvraag over een huisartsenrekening van 35,91 euro; beroep op Wwft, Sanctiewet "en Amerikaanse regelgeving"; uit die regels volgt niet "dat banken in het geheel geen transacties met Iran mogen doen" (ov. 6.11); screening geschikt en subsidiair (ov. 6.16 en 6.19), tweede uitvraag "niet in redelijke verhouding" (ov. 6.22) | Indirect onderscheid naar nationaliteit, niet objectief gerechtvaardigd: verboden onderscheid op grond van nationaliteit |
| 2025-15 (13 februari 2025) | Rabobank: vragen na een overboeking naar Turkije kwamen uit een "geografisch transactierisico" in het detectiesysteem, niet uit de nationaliteit van de klant | Geen verboden onderscheid |
| 2025-125 (25 november 2025) | de Volksbank: betalingen van opdrachtgevers met een Russisch woonadres aan een klant met de Russische nationaliteit geweigerd op de landcode RU, daarna een cliëntenonderzoek; niet de nationaliteit maar "de Russische woonplaats van de opdrachtgevers" was het criterium (ov. 4.7), maar het beleid "om transacties die (in)direct uit Rusland afkomstig zijn, in beginsel te weigeren" raakt "in het bijzonder personen [...] met de Russische nationaliteit" (ov. 4.8); "Uit de door verweerder aangehaalde sanctiewet- en regelgeving volgt niet dat banken in het geheel geen transacties vanuit en naar Rusland mogen faciliteren" (ov. 4.11); het beleid was "strenger [...] dan dat wat op basis van sanctiewet- en regelgeving nodig is" en de latere versoepeling was "niet het gevolg [...] van specifieke wijzigingen in de sanctiewet- en regelgeving" (ov. 4.19) | Indirect onderscheid op grond van nationaliteit, geen wettelijke uitzondering (art. 2 lid 5 onder a AWGB) en de noodzaak niet aangetoond (ov. 4.20): verboden onderscheid; klachtbehandeling geen onderscheid |
| 2025-137 (18 december 2025) | ING Groep: registratie in het Intern Verwijzingsregister (IVR) van een zorgstichting en haar bestuurder na een cliëntenonderzoek waarin de gevraagde informatie uitbleef; de bestuurder stelde dat het onderzoek zich richtte op bestuursleden en medewerkers met een niet-Nederlands klinkende naam | Geen verboden onderscheid op grond van ras en nationaliteit: de gestelde feiten konden geen onderscheid doen vermoeden (art. 10 lid 1 AWGB) |
| 2026-78 (28 mei 2026) | ING Bank: een instantbetaling van 1.344,08 euro van een Zweedse rekening aan een klant geweigerd omdat de naam van de afzender in de omschrijving deels overeenkwam met een naam op de sanctielijst van het Amerikaanse OFAC; één uitvraag aan de ontvanger. "De naam van een persoon is vrijwel altijd verbonden met de afkomst van deze persoon, waardoor het valt onder de grond ras uit de Awgb" (ov. 6.11); er is "nog altijd geen (concrete) informatie beschikbaar [...] over de daadwerkelijke effectiviteit van deze wijze van transactiescreening", maar het DNB-onderzoek van 2023 en het gegeven dat "bij sanctieovertredingen, vaak aliassen of delen van een naam worden gebruikt" maken fuzzy matching passend (ov. 6.21); een instantbetaling moet binnen tien seconden worden verwerkt (Verordening (EU) 2024/886, ov. 6.22); geen lichter middel (ov. 6.27 en 6.28), maar de bank moet "de werking van het algoritme" monitoren (ov. 6.28); "De nadelige gevolgen van de huidige wijze van transactiescreening zijn vanwege de discriminerende effecten groot" (ov. 6.32), toch is één uitvraag "Onder deze omstandigheden" proportioneel (ov. 6.33) | Indirect onderscheid op grond van ras, objectief gerechtvaardigd: geen verboden onderscheid; klachtbehandeling zorgvuldig. Aanbeveling: "Het gebrek aan inzicht in de gegevens over de effectiviteit [...] is opvallend"; de screening "onderbouwd en gedocumenteerd" risicogebaseerd invullen en "controles en blokkades bij onterechte meldingen te beperken, ook bij een 'instant payment'" (ov. 9.1 tot en met 9.3) |
| 2026-105 (16 juli 2026) | ING Bank: periodiek klantonderzoek bij de onderneming van een ondernemer van Armeense afkomst; na een rekeninganalyse waaruit bleek dat 99,2 procent van de omzet niet van Nederlandse tegenpartijen kwam, stelde de bank vragen over "de band van zijn bedrijf met Nederland" | Geen verboden onderscheid op grond van ras bij het klantonderzoek; wel verboden onderscheid door de onzorgvuldige behandeling van de discriminatieklacht |
| Kanaal | Wat de bank ziet | Kwalificatie | Mag het? |
|---|---|---|---|
| 1. Gelistete tegenpartij | Betaling aan The Base of een aan een lijst gekoppelde entiteit | Sanctiescreening; het signaal ligt bij de geldstroom, de bank constateert een feit | Ja, verplicht: bevriezen op grond van de verordening, melden aan DNB (art. 3 RtSw) en bij vermoeden van terrorismefinanciering aan de FIU (art. 16 Wwft). Voor de Nederlandse scene vrijwel leeg: "los georganiseerd", geen gelistete Nederlandse entiteit |
| 2. Typologie in de geldstroom | Aankoop van wapens of wapenonderdelen, geldstromen rond een aanslagvoorbereiding, crowdfunding voor een gelistete of veroordeelde persoon. FATF en Europol beschrijven de gewone financiering (contributies, donaties, merchandise, crowdfunding, virtuele activa) als open en legaal; over de uitgaven voor aanslagen door eenlingen zegt de FATF dat er "often few or no red flags in the financial system" zijn (p. 8). Europol noemt bij sommige groepen wel drugshandel of afpersing (TE-SAT 2025, p. 40): dat is een gewone witwastypologie | Wwft-monitoring op terrorismefinanciering; het signaal ligt bij de geldstroom | Ja, mits het scenario op de typologie selecteert en niet op de opvatting of op de tegenpartij als "rechts"; melden aan de FIU. Het kanaal is smal |
| 3. Negatieve berichtgeving over de klant zelf | Krantenartikel, AIVD-ambtsbericht via het OM, strafzaak, tip | Strafrechtelijk gegeven (art. 10 AVG via de Wwft-constructie; art. 76 lid 3 AMLR); niet "kennelijk openbaar gemaakt" | Ja, met onderscheid tussen beschuldiging, onderzoek, procedure en veroordeling en beoordeling van de betrouwbaarheid van de bron |
| 4. De politieke voorkeur uit het betaalgedrag | Contributie, gift aan een niet-gelistete stichting, bestelling bij een webwinkel uit het milieu | Art. 9-verwerking op een klantkenmerk | Nee: verboden selectiecriterium (Ligue des droits humains, punt 197, naar analogie; overweging 152 AMLR voor het besluit); zonder kanaal 1 tot en met 3 is er niets te onderzoeken |
Achtergrond
Een bank die transacties monitort, leest niet alleen bedragen. Zij weegt de naam van de begunstigde, de omschrijving en de sector van de tegenpartij, en daaruit blijkt bij een deel van de betalingen een overtuiging of een gezondheidstoestand. Het Hof van Justitie heeft in 2022 en 2024 beslist dat het verbod van artikel 9 AVG ook die afgeleide gegevens dekt, ongeacht de bedoeling van de bank en ongeacht of de afleiding klopt. Dat maakt de vraag naar de grondslag onontkoombaar, en die grondslag is tot 10 juli 2027 een constructie: de wettelijke plicht uit de Wwft, de kwalificatie "taak van algemeen belang" uit de vierde antiwitwasrichtlijn, en het zwaarwegend algemeen belang van artikel 9 lid 2 onder g, zonder de wettelijke waarborgen die dat artikel in het lidstatelijk recht eist. De regering heeft dat gat in 2022 zelf benoemd en de reparatie in 2024 geschrapt, omdat de Europese antiwitwasverordening het per 10 juli 2027 sluit met artikel 76.
De flowchart vertaalt dat kader naar de beslissingen die een bank bij elk signaal neemt. Eerst de voorvraag: loopt de verwerking langs de Wwft of langs de Sanctiewet, want die twee kaders verschillen in bron, grondslag en waarborgen. Dan zeven stappen: is het gegeven een bijzonder gegeven; ligt het signaal bij de tegenpartij, de geldstroom of het land, of bij een kenmerk van de klant zelf; draagt het gegeven de beoordeling of is het bijvangst; op welke grondslag rust de verwerking, nu en straks; is het middel evenredig gelet op de false positives en ligt daar een DPIA onder; welk besluit mag erop volgen; en wat hoort de klant te weten en het dossier te bevatten. Het onderscheid in de tweede stap is de kern: het College voor de Rechten van de Mens heeft in vijftien oordelen sinds 2016 vastgelegd dat het land van de transactie het signaal mag zijn, maar niet het categorische criterium, en de nationaliteit of afkomst van de klant zelf niet, tenzij een Europese verordening nationaliteit zelf als criterium stelt, en dat screening op namen indirect onderscheid is dat de bank per geval moet kunnen rechtvaardigen.
De false positives horen niet bij het belang maar bij het middel. Van de ruim drie miljoen ongebruikelijke transacties die per jaar bij FIU-Nederland worden gemeld, wordt drie tot vier procent verdacht verklaard, en de alerts die daaraan voorafgaan zijn een veelvoud daarvan, al publiceert niemand exacte aantallen. Het Hof van Justitie heeft voor een vergelijkbaar systeem bepaald dat zo'n foutenmarge het systeem niet ongeldig maakt, maar wel eisen stelt: elke treffer afzonderlijk door een mens beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zo weinig mogelijk onschuldigen aangewezen, en een toets op discriminerende uitkomsten. Voor de bank betekent dat een verplichte DPIA, die door de risicoveranderingen sinds 2018 opnieuw aan de orde is, en op dossierniveau één verplichte controlevraag: welke bijzondere gegevens zitten erin, uit welke bron, en waarom waren zij nodig. Vier praktijkcasussen lopen door alle stappen heen, van de gift aan een religieuze instelling tot de sanctiehit op een naam die op een naam op de lijst lijkt.