WB-33 · Bouwen

Prefab: regels gelijktrekken, digitaal planproces

"We willen sneller bouwen met innovatie. Prefabwoningen worden sneller en schoner gebouwd. In elke gemeente zijn de regels echter anders, en daardoor lukt het onvoldoende om op te schalen. We maken deze fabriekswoningen veel betaalbaarder en sneller realiseerbaar door de regels gelijk te trekken en te gaan werken met een digitaal planproces."

Wat de coalitiepartijen in hun programma's schreven

Programma-posities en hun lot in het akkoord

VVD
behouden
Schoner en sneller bouwen: De huizen die we bouwen, moeten op een snelle en schone manier worden gerealiseerd. We gaan meer woningen fabrieksmatig produceren. Tegelijkertijd komt er landelijke sturing op de bouwtechnische eisen, zodat kwaliteit, snelheid en betaalbaarheid hand in hand gaan.
CDA
behouden
Modernisering van bouwregels en meer fabrieksmatig bouwen. We stimuleren het gebruik van duurzame bouwmaterialen zoals hout en natuurlijke isolatiematerialen als vlas.
Wat de Kamer ermee deed

Kamerzaken die WB-33 raken

Geen Kamerzaken gevonden die specifiek aan dit doel zijn gekoppeld in de huidige dataset.
Duiding

Hoe Kamerzaken zich tot dit doel verhouden

Voor dit doel zijn nog geen duidingen opgesteld. Een duiding plaatst een Kamerzaak ten opzichte van het akkoord-doel — aanscherping, afzwakking, bevestiging of blokkade.

Begroting

De financiële uitgangssituatie (2025)

Deze begrotingsregelingen raken het beleidsterrein van dit doel, maar de cijfers betreffen 2025 — vóór dit coalitieakkoord. De begroting 2025 werd opgesteld onder het vorige kabinet; lees dit blok als nulmeting: de financiële uitgangssituatie die het kabinet-Jetten aantrof, niet de begroting van dit akkoord zelf. De eigen keuzes van dit kabinet worden pas zichtbaar in de begrotingen vanaf 2026. Een verschil tussen begroot en besteed betekent bovendien niet automatisch falen — niet-besteed geld kan zijn doorgeschoven naar latere jaren of teruggevloeid door achterblijvende aanvragen.

Opschalen Woningbouw
Begrotingsartikel 1.2 Woningbouw
Begroot €25,0 mlnBesteed €5,6 mlnVerschil −€19,4 mln
Bron: Jaarverslag en Slotwet Ministerie van VRO 2025 (Kamerstuk 36945-XXII-1)
Voortgang en context

Wat de cijfers zeggen

Dit doel wil prefab-bouw bevorderen door regels gelijk te trekken en het planproces te digitaliseren. Direct meetbaar is dat niet, maar de tijdelijke woningen in de plancapaciteit geven een proxy: tijdelijke en flexwoningen zijn vrijwel altijd fabrieksmatig (prefab) gebouwd. Volgens de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw (najaar 2025) staan er minimaal 18.200 tijdelijke woningen in de plannen. Ter vergelijking: de Algemene Rekenkamer telde 17.665 flexwoningen die tussen 2022 en 2025 zijn gebouwd (zie Externe toetsing). Het is een smalle proxy — prefab omvat meer dan tijdelijke woningen alleen — en het betreft plannen, geen opgeleverde woningen.

Tijdelijke woningen in plancapaciteit
18.200woningen
Periode: 2025
Externe toetsing

Wat onafhankelijke instanties constateren

Bevindingen uit rapporten van onafhankelijke instanties die dit doel raken. Het dashboard geeft ze onverkort weer — het oordeel is van de instantie zelf, niet van TRNKL. Waar de bewindspersoon weersproken of toegezegd heeft, staat dat erbij.

OordeelAlgemene Rekenkamer
Beleid voor flexwoningen beoordeeld als ‘matig’
De Rekenkamer onderzocht het beleid voor flexwoningen — fabrieksmatig gebouwde, verplaatsbare woningen die snel meer woningen moeten opleveren. Sinds 2021 stelde de minister hiervoor in totaal € 948 miljoen beschikbaar; van 2022 tot en met 2025 droegen de regelingen bij aan de bouw van 17.665 flexwoningen. Het in 2022 gestelde doel van 15.000 flexwoningen per jaar is volgens de Rekenkamer niet onderbouwd en ruimschoots niet gehaald; het is later losgelaten zonder dat de Tweede Kamer daarover is geïnformeerd en zonder dat er onderbouwde nieuwe doelen voor in de plaats kwamen. Op haar vijfpuntsschaal (goed, toereikend, matig, zorgelijk, zeer zorgelijk) beoordeelt de Rekenkamer het gevoerde beleid als ‘matig’: flexwoningen zijn relatief duur en risicovol en dragen daardoor minder bij aan het oplossen van het woningtekort dan de minister aanvankelijk verwachtte.
Reactie bewindspersoonDe minister deelt terugkijkend het oordeel dat de aantallen-doelen destijds te ambitieus waren; zij verwacht nu dat er jaarlijks gemiddeld 5.000 flexwoningen kunnen worden gerealiseerd. De Rekenkamer tekent in haar nawoord aan dat dit getal van 5.000 nieuw voor haar is en dat onduidelijk is waarop die verwachting is gebaseerd.